GastcolumnRonit Palache

Bij het Namenmonument zag ik mijn familie in steen, rij na rij na rij

Publiek bij het Holocaust Namenmonument in Amsterdam.  Beeld ANP
Publiek bij het Holocaust Namenmonument in Amsterdam.Beeld ANP

Het was een met zon overgoten zondagmiddag toen ik met mijn goede vriend R. en vriendin C. het Holocaust namenmonument bezocht aan de Weesperstraat in Amsterdam. Om de hoek van waar ik woon kwamen de namen van meer dan 100.000 doden me in het zo contrasterende zonnelicht tegemoet. Een licht dat deed vermoeden dat we onderweg waren naar iets moois.

Joodse vriend R., geboren in 1943, werd baldadig. Hij ging op zoek naar achternamen die met eten te maken hadden: Melkman, Mossel, Citroen, Komkommer. Hij vermaakte zich er zichtbaar mee en fotografeerde er, bulderend van het lachen, op los. Vriendin C., zijn echtgenote, niet Joods en twintig jaar jonger, keek me hulpeloos aan. Wat deed die man van haar toch weer raar. ‘Ze hadden hier echt prikkeldraad op moeten plaatsen,’ schreeuwde vriend R. ons toe. ‘Dan was het pas authentiek geweest.’

‘Tsja,’ zei ik tegen vriendin C., ‘Iedereen heeft z’n manier van verwerken.’

Hordes mensen

Ikzelf was inmiddels op zoek naar mijn familie en baande me een weg langs hordes mensen. Ik kwam veel bekenden tegen. Maar net als na de jaarlijkse 4 mei-herdenking op de Apollolaan vond ik het Namenmonument niet de uitgelezen plek voor een receptie-achtig bijgeklets. Ik knikte af en toe vriendelijk en verschuilde me zoveel mogelijk achter mijn onopgemaakte gezicht met zonnebril.

‘Dat is de zus van je oma, hè?’, hoorde ik plots achter me. Ik voelde me betrapt dat iemand zo’n intiem detail van mijn leven er zomaar even uit knalde. ‘Ja, dat is Bep Sonja de Vries’, antwoorde ik, ‘de zus van mijn moeders moeder’. Toen ik mijn oma eens vroeg hoe ze ooit verder heeft kunnen leven nadat haar ouders en haar 19-jarige zusje vermoord werden, antwoordde ze: ‘Ach, ik mocht mijn zusje toch al niet.’

Iedereen heeft z’n manier van verwerken.

Alsof ik langs een rijk gevulde boekenkast struinde, zochten mijn ogen de P van Palache en de A van Acathan, de ouders van mijn vader. Een vader die over zijn familie nooit meer losliet dan dat hij was opgegroeid zonder opa’s en oma’s, neefjes en nichtjes, ooms en tantes. ‘Geen familie, dus gezellig,’ schreef Ischa Meijer, afkomstig uit een vergelijkbaar gezin, ooit. Bij Palache stonden ‘maar’ zes namen.

Niet de leukste oma

Mijn oma van vaderskant, van haar meisjesnaam dus Acathan geheten, was niet de leukste oma die je je wensen kon. Ze was niet warm, wel klagerig, extreem orthodox en een vat vol kritiek. Vooral als het haar kleinkinderen betrof. Het gebrek aan hecht familieschap was iets dat ze ons voortdurend voor de voeten wierp. We kwamen niet genoeg langs, hadden niet het respect voor grootouders dat zij kende uit haar jeugd en droegen steevast te korte rokjes. Als kind dacht ik ‘als je wat aardiger tegen ons geweest was en niet elke verjaardag die we vierden in het buitenland zou zitten, had je ons misschien wat vaker gezien’.

Net als mijn vader vertelde ze weinig over vroeger. Haar verleden was gehuld in een peilloze zwijgzaamheid. Een van de weinige dingen die ik in al die jaren heb kunnen achterhalen, is dat ze uit een grote, hechte familie kwam. Daar en hier zag ik die ineens; rij na rij na rij, haar neefjes en nichtjes, ooms en tantes, vader en moeder. Ineens moest ik vreselijk snikken van binnen. Mijn familie zat in steen.

Natuurlijk wilde oma haar grote familie terug. Zoals je terugverlangt naar je lievelingsrestaurant van je jeugd en daar eenmaal aangekomen een vieze oude bende aantreft, waar het eten lang niet zo smaakt als je herinnering je dicteert. Wij waren die oude bende. We zouden nooit al die namen op de muur hebben kunnen vertegenwoordigen, al droegen we rokken op de door haar gewenste lengte, al gaven we haar vaker een kus.

Ik schaamde me even diep. Voor al die tijd die ik niet met haar had doorbracht. Voor al die keren dat ik haar vervloekt had om haar rigiditeit en vroomheid, haar afstand en vervelende opmerkingen.

Weer een monument

Toen we weggingen, scheen de zon nog steeds fel. We aten, om de hoek van het monument, een ouderwetse witte-boterhamtosti met ketchup zoals ze nergens nog bestaan. Vriend R. mopperde onderweg nog waarom die Joden toch zo nodig wéér een monument moesten hebben. Er waren toch ook kampen met honderdduizenden vluchtelingen in Europa? Die hadden geen monumenten, die werden teruggestuurd net als de Joden die voor de oorlog als vluchtelingen in Nederland onderdak zochten. Vriendin C. en ik keken elkaar betekenisvol aan. We waren in al die somberte toch óók bij iets moois geweest, vonden we.

Toen ik thuiskwam zag ik een appje van vriend R. ‘Het blijft een bizar gezicht, die tegeltjes. Namen van kinderen van 1 en 2 jaar, vermoord in gasovens. Ik was ook 1 jaar. Het blijft een raar gevoel, zij wel en ik niet. Dat het toeval zo dichtbij kan zijn.’

Ronit Palache is journalist, schrijver en interviewer en in de maand oktober gastcolumnist van volkskrant.nl/opinie.

Meer over