columnsylvia witteman

Bij een bevroren plasje speelde het jongetje in verrukking met de brokjes ijs

null Beeld

Het had een heel klein beetje gevroren in het park. De plassen regenwater op de paden waren van ijs, maar op de vijvers lag weinig meer dan een dun, wiebelig vliesje waar nog geen meerkoet op kon blijven staan.

Niets om over naar huis te schrijven dus, dat wil zeggen, als je 55 bent en nog op de grachten hebt geschaatst. Blasé stapte ik om de bevroren plassen heen. Maar ter hoogte van het Vondelmonument – waar de bronzen maestro al 150 jaar martiaal onder de duivenstront vandaan zit te turen – trof ik iemand voor wie dat miezerige beetje ijs allerminst vanzelfsprekend was. Een jongetje van een jaar of 5.

Gehurkt naast zo’n bevroren plasje speelde hij in verrukking met de glinsterende brokjes ijs. Hij maakte deel uit van een gezin dat ontsnapt leek uit een Kerst-Allerhande: een bruine vader met een innemende glimlach, een blonde moeder in een chique, zandkleurige winterjas, en een koffiekleurig zusje met zo’n duizend uur aan vlechtwerk op haar hoofdje. Zij keek op het gefriemel van haar broertje neer met de vertederd-misprijzende blik waar 8-jarige zusjes van 5-jarige broertjes het patent op hebben.

Het jongetje was blijkbaar al een tijdje bezig, want het meisje ging demonstratief op haar andere been staan, zuchtte blazend, en zei ‘Ben je nou eindelijk eens klaar, Felix...’ ‘Nee’, antwoordde het jongetje, waarna het meisje met rollende ogen haar moeder aankeek, die sprak: ‘Kom Felix, we gáán...’

Met tegenzin stond het jongetje op en liet zich bij de hand nemen, maar toen hij de vijver in het oog kreeg rukte hij zich weer los. Daar stond hij al aan de rand van het water, één voet geheven, klaar om op dat dunne vliesje ijs te stappen.

In één sprong was zijn vader ter plaatse en griste het kind weg, dat gilde van verontwaardiging. Zijn moeder sloeg aan het sussen. ‘Het ijs is te dun... je wordt helemaal nat...’ het hielp niet. Het jongetje huilde hartverscheurend. Het zusje rolde weer met haar ogen. De vader hurkte en troostte. ‘Felix. We moeten even wachten tot het nog wat kouder is. Dan wordt het ijs dikker. Dan kun je erop.’

Het hielp allemaal niks. Het kind bleef snikken. Ik moest denken aan mijn eigen oudste zoon. Als kleuter wilde hij het liefst de hele dag op onze deurbel drukken, maar hij was te klein om erbij te kunnen. Dat dreef hem telkens weer tot tranen, daar hielp honderd keer optillen niks aan. ‘Over een paar jaar kun je er zélf bij’, suste zijn vader.

Waarop hij antwoordde, tussen twee beverige snikken in: ‘Ja. Maar dan vind ik er niks meer aan.’

Meer over