COLUMNSylvia Witteman

Bij de buffels stond iets wat ik nog nooit eerder had gezien in Artis: een draaimolen

null Beeld

Ik ging naar Artis om de kleine olifant te zien. (Ze hebben hem ‘Vinh’ genoemd, maar eigenlijk heet hij Oscar, dat u het weet.) Het regende. De stokstaartjes loerden met gemelijke gezichtjes vanuit hun burcht naar het druipend zwerk, een witte wolf zat helemaal alleen te huilen op een steen, zoals het zigeunermeisje uit het liedje, en de gieren keken met opgetrokken snavels naar hun stuk rottende koe, alsof het een bord natte andijvie was.

De gorillapatriarch met zijn zilveren rug pakte het knuffeldekentje van zijn dochtertje af, en ook bij de olifanten was de stemming bepaald ongezellig. Oscars grote zus stond woedend boomtakken te knakken met haar slurf, en Oscar zelf stond zó hangerig aan zijn moeders kop te zaniken dat ze hem ten slotte een schop verkocht waar hij van achteruit stoof als in een tekenfilm.

Ik gaf een eend in de vijver een verdroogd stukje ontbijtkoek uit mijn jaszak en het hield prompt op met regenen. (voortaan zorgen dat u altijd een stukje ontbijtkoek in uw zak heeft, en u heeft geen paraplu meer nodig. Dat wil zeggen, zolang er eenden in de buurt zijn).

Bij de buffels stond iets wat ik nog nooit eerder had gezien in Artis: een draaimolen. Een ouderwetse draaimolen vol steigerende paarden en brandweerauto’s, met bonte, feestelijke verlichting. Het ding draaide, maar zonder muziek. Zoiets kán niet, vind ik, maar misschien waren ze bang dat de buffels krankzinnig zouden worden van dat getjingeltjangel.

Er zaten maar weinig kinderen in die stille draaimolen. Twee hele kleintjes, samen met hun moeder. Twee grote, van een jaar of 8, zelfverzekerd achter het stuur van hun autootje. En een jongetje van 5, in een oranje jasje, alleen op zo’n paard. Zijn moeder stond terzijde en zwaaide telkens enthousiast als hij voorbij kwam. Hij had een zachtzinnig, rond gezicht en dun, vlasblond haar. Hij volgde zijn moeder met grote, sombere ogen.

Bij elke ronde keek hij haar met een verdraaide nek na tot hij haar echt niet meer kon zien, en telkens als ze opdoemde klaarde zijn gezicht een heel klein beetje op, om weer te verduisteren zodra ze buiten zicht was.

Eindelijk was het ritje ten einde. Het begon weer te regenen. Die ontbijtkoek was blijkbaar uitgewerkt. Het jongetje rende op zijn moeder af en verstopte zijn gezicht in haar schoot. ‘Niet leuk?’, vroeg ze. Het jongetje schudde van nee. ‘Kom’, zei ze. ‘We gaan lekker naar huis, dan bak ik een eitje voor je.’

Zijn tobberig hoofdje begon te stralen. Ik voelde een diep, wringend gemis aan mijn kinderen. Niet aan de mensen die ze nu zijn, maar aan hoe ze vroeger waren.

Meer over