COLUMNPeter Giesen

Bedrijven zijn te machtig geworden en de ongelijkheid te groot

Ik geef het toe, ooit was ik een Applesnob. Door het kopen van een iPhone of een MacBook waande ik me deelgenoot van een gemeenschap van kunstenaars, muzikanten, grafici en anderen die design en kwaliteit op waarde wisten te schatten. Ik had genoeg sociologen gelezen om te beseffen hoe onzinnig deze gedachte was, maar dat veranderde niets aan het gevoel.

Apple heeft zijn glans allang verloren. Het bedrijf is te groot geworden, een kapitalist die weinig nieuws meer bedenkt en zijn oude succesnummers uitmelkt tegen krankzinnige prijzen. Helaas boekte Apple deze week een grote overwinning. Het won een rechtszaak tegen de Europese Commissie die bepaald had dat het bedrijf ruim 14 miljard euro aan belastingen moest betalen aan Ierland. De rechter ging niet akkoord met de stelling van de Commissie dat een gunstige belastingdeal tussen Apple en Ierland een vorm van verkapte staatssteun is, in strijd met de Europese regels. Het was een pijnlijke nederlaag voor de Commissie, maar vooral een ernstige tegenslag in de strijd tegen grote multinationale bedrijven die met slimme trucs zo min mogelijk belasting betalen.

Die strijd is door de coronacrisis extra urgent geworden. Als de rekening wederom bij de burgers wordt neergelegd – zoals gebeurde na de financiële crisis van 2008 – zal de politieke en sociale onvrede alleen maar toenemen. Wie populisme en nationalisme wil bestrijden zal de fat cats – van miljonairs tot multinationals – harder moeten aanpakken. Niet alleen omdat het geld hard nodig is, maar ook uit het oogpunt van rechtvaardigheid.

De Rabobank becijferde in 2018 dat het besteedbaar inkomen van huishoudens sinds 1977 weliswaar met 18 procent is gestegen, maar 40 procentpunt achterbleef bij de economische groei. Vooral sinds 2000 zijn de inkomens gestagneerd. Waar is de groei wel naar toe gegaan? Naar de overheid, maar vooral naar het bedrijfsleven, aldus de Rabobank.

Net als in de jaren tachtig staan we op een keerpunt waarop de verhoudingen tussen burgers, staat en bedrijfsleven opnieuw moeten worden bevochten. Destijds kwamen zelfs de vakbonden tot de conclusie dat de winsten van bedrijven werden uitgehold door hoge lonen en belastingen.

Ik kan me de tijd van no future nog levendig herinneren. Meer liberalisme was een logisch antwoord op de crisis, omdat bedrijven meer lucht nodig hadden. In cultureel opzicht was de roep om ondernemerschap en de herwaardering van individuele prestaties een manier om de sombere sfeer te verjagen en de samenleving nieuwe energie te geven. Daarom heb ik de kritiek op ‘het neoliberalisme’ vaak een beetje gemakkelijk gevonden.

Een samenleving gaat doorgaans verder in dezelfde groef, totdat zij merkt dat de omstandigheden veranderd zijn en oude gewoonten niet meer passen. Nu zijn zelfs zakenkranten als de The Financial Times en The Economist tot het inzicht gekomen dat bedrijven te machtig geworden zijn en dat de ongelijkheid te groot is – in de Angelsaksische wereld overigens veel meer dan in Nederland. Ook een groep miljonairs smeekte deze week bijna om meer belasting te mogen betalen.

Zo staan we weer op een keerpunt, maar we weten niet hoe we de draai moeten maken. Sinds de jaren tachtig beconcurreerden landen elkaar met lage belastingtarieven, teneinde zo veel mogelijk bedrijven te lokken. Belastingparadijs Nederland speelde hierin een dubieuze rol. Het verlagen van tarieven is gemakkelijk: je dwingt andere landen mee te gaan, de bekende race to the bottom. Maar hoe moet je terug? Als één land de tarieven verhoogt, trekken bedrijven weg naar landen waar het goedkoper is.

Apple won deze week een rechtszaak tegen de Europese Commissie die bepaald had dat het bedrijf ruim 14 miljard euro aan belastingen moest betalen aan Ierland. In deze archieffoto uit 2016 spreekt Europees Commissaris Margrethe Vestager op een persconferentie over de zaak.Beeld AP

Binnen de Europese Unie wordt al jaren gepraat over ‘harmonisatie’, een gezamenlijke verhoging van de belastingtarieven. Dat leverde tot dusverre niets op, omdat lidstaten bang zijn hun voordelen te verspelen. Maar in een tijdperk van globalisering kan het kapitalisme slechts getemd worden door internationale samenwerking. Als landen onverkort vasthouden aan hun eigen soevereiniteit, zullen ze simpel tegen elkaar worden uitgespeeld door multinationale bedrijven. Soeverein, maar machteloos.

Omdat de lidstaten in gebreke bleven, heeft de Europese Commissie geprobeerd de grote multinationals aan te pakken. Noodgedwongen koos zij voor een omweg: de belastingdeal van Apple in Ierland werd aangemerkt als verkapte staatssteun. Nadat de rechter hier een streep door had gehaald, kondigde de Commissie een nieuwe omweg aan: zulke deals worden gezien als een verstoring van de interne markt. Het is de vraag of deze route juridisch wel stand houdt.

Brussel, zo vaak gezien als een wegbereider van het neoliberalisme, was in dit geval de koene ridder die het namens de burgers opnam tegen het grote bedrijfsleven. Helaas werd de ridder verslagen. Uiteindelijk zullen de lidstaten zelf afspraken moeten maken om multinationals zwaarder te belasten, als ze tenminste hechten aan de bestaande orde. Politieke onvrede heeft niet alleen financiële oorzaken, maar toch: wie de gele hesjes wil tegenhouden, moet de blauwe hesjes van de belastingdienst mobiliseren. Deze keer niet tegen burgers die een toeslag krijgen, maar tegen een echte tegenstander, het internationale grootkapitaal.

Meer over