ColumnPeter Middendorp

Banger dan voor besmetting ben ik voor mijn hoogbejaarde buurvrouw

null Beeld

Mijn hoogbejaarde buurvrouw is een kleine, hulpbehoevende stalker. Ze belt en appt de hele dag. In het begin rende ik naar haar toe als ze had ingesproken – ‘Ooh, Peter, ik heb je hulp nodig!’ Maar dan bleek steeds dat de hagelslag op was, of de margarine. Sindsdien reageer ik niet meer. Ik weet: pas als het stil wordt, moet ik me zorgen maken.

Laatst vergat ik door het raam te kijken voordat ik de voordeur opendeed. ‘O, nee, hè!’, riep ik. ‘Shit, u bent het.’ Ze zette een voet op de drempel, haakte haar handen aan de deurposten, klaar om zich naar binnen te hijsen. Met een lachje: ‘Mag ik even binnenkomen?’

‘Nee’, zei ik. ‘Waarom niet?’, vroeg ze. ‘Corona’, zei ik. Maar banger dan voor besmetting ben ik voor haar. Ik weet precies wat er gebeurt. Ze gaat in de kamer zitten en zegt iedereen wat-ie moet doen, koken, opvoeding, alles. Ik heb het één keer laten gebeuren – je hebt niets meer te zeggen en op het laatst moet je haar naar buiten duwen.

Ze keek langs me heen naar binnen. ‘Jij hebt een computer, toch?’, zei ze. ‘Wil je wat voor me printen?’

‘Nee’, zei ik. ‘Ik heb geen printer. En bovendien is hij kapot.’

Ze keek me aan. ‘Ik ben laatst heel hard gevallen’, zei ze. ‘Ja, dat weet ik’, zei ik. ‘Vorig jaar, toen bent u geopereerd.’ Sindsdien is ze nog slechter ter been dan ze al was, het slechtst ter been van de stad – wankel schuifelt ze voort, teentje voor teentje. ‘Nee’, zei ze. ‘Daarna nog een keer. Toen het zo glad was.’

‘Wát?’, zei ik. ‘Ondanks dat we je tien keer hebben geappt dat je binnen moest blijven en de boodschappen moest laten bezorgen, desnoods door mij?’

‘Ja’, zei ze, bijna trots. ‘Daar.’ Ze wees naar de ingang voor haar flat. Twee meter ver was ze gekomen, bij de eerste stap in de sneeuw was het meteen raak geweest. Het viel niet meer uit te sluiten dat ze het expres deed.

‘Ik heb drie kwartier op straat gelegen’, zei ze. ‘Vier mensen hebben me geholpen om thuis te komen. Ik heb heel, heel veel pijn gehad.’ Ze wachtte even, haar ogen glinsterden. ‘Mag ik nu toch even binnenkomen?’

‘Nee’, zei ik. ‘Nee, sorry. Het gaat niet gebeuren. Zet het uit uw hoofd.’ De volgende stap was waarschijnlijk dat ze zich voor mijn deur zou laten vallen. Dan moest je over haar heenstappen als je boodschappen ging doen – ‘U ook nog wat nodig, mevrouw De B.?’

‘Oké’, zei ze. ‘Dan ga ik maar.’

‘Goed’, zei ik. En: ‘Bent u al aan het weglopen trouwens?’ Want van de buitenkant zie je dat niet, zo langzaam gaat het. Maar als je weet dat ze aan de aftocht is begonnen, kun je wel alvast met goed fatsoen de deur dichtdoen.

‘Dag mevrouw De B.’, zei ik. ‘Voorzichtig, hè.’

‘Ja’, zei ze, ‘dank je wel. Tot morgen.’

Meer over