Kort verhaal

Astrid H. Roemer schreef een heet zomerverhaal over de covid-arts die geen anderhalvemeter afstand houdt

De langverwachte slutty summer duurde in feite maar even, maar gelukkig hebben we de fictie nog. We vroegen zes auteurs met dit thema aan de haal te gaan. Vandaag: Blue Moon door Astrid H. Roemer.

Astrid H. Roemer. Beeld Anna Boulonge
Astrid H. Roemer.Beeld Anna Boulonge

Het is de vrouw die al jaren iets met hem wil. Hij probeert weg te kijken, maar zij loopt op hem af. Kom je ook een prik halen? Hij mompelt iets van achter zijn dichtgesnoerde mond. Zal ik je helpen dan? Hij schudt het hoofd. Met een blik die hem even naar adem doet happen kijkt ze hem aan, dwars door zijn zonneglazen. In jaren heeft hij niet met een vrouw geslapen. Ineens voelt hij dat gemis. Hij schuift door in de rij en zij schuifelt mee. Hij ruikt haar lichaam. Hij weet het. Deze keer zal zij hem niet laten gaan. Ik wacht op je, hoort hij haar zeggen en hij kijkt hoe ze wegloopt. Hij glimlacht. Die anderhalve meter liet haar koud. Mooie dokter. En dat zegt hij ook tegen haar als ze hem tegemoet loopt: Mooie dokter ben jij! En zij: Ik heb nog een lange dag covidwerk en daarna wil ik jou zien! Hij knikt. Kijkt naar de drukte bij de poorten van het Academisch Ziekenhuis. Logeer je ergens? Huurappartement, zegt hij terughoudend. Adres? Hij lacht om haar brutaliteit. Ik ontvang daar geen vrouwen. Niemand. Ik wil je vanavond zien, zegt zij beslist. Avondklok, bitst hij streng. Kom ik jou ophalen en dan weet ik waar jij woont, toch? Hij aarzelt. Ik wacht op je, ergens bij de ingang van je werk. Daar, bij de portier, vult zij aan. Hij knikt meegaand. Ik ben geen patiënt wil hij nog roepen. Die vreselijke mondlap is belemmerend. Hij slentert weg.

Zinderend heet is het in de binnenstad. En toch kan het elk moment zo beginnen te regenen dat de straten compleet onderlopen. Hij is beduusd. Zo’n meid dwingt gewoon een afspraak af. Bovendien maakt zij dat hij voorbereidingen zal moeten treffen voor wat er kan gebeuren. Heeft ze dan nog steeds geen man? Er is weinig open en toegankelijk. Casino’s dicht. Eethuizen zonder terras gesloten. En omdat kantoren en scholen ook niet functioneren zijn de asfaltstraten onbereden en walmend warm. Ook het winkeltje waar hij weleens drankjes haalt die hem als man opkikkeren heeft de deuren dicht. Hoe krijgt hij hem overeind bij haar onder dergelijke omstandigheden? Moe is hij niet. Beetje belabberd. Het vaccin?

Op het terras van een duur hotel laat hij zich bedienen. Blikcola met Surinaamse rum geen ijsblokjes, geen citroen, meneer! Hij kiest een stoel bij een tafeltje dat uitzicht biedt op het water. De stadsrivier die niet onderworpen kan worden aan lockdown-maatregelen. Blijft stromen naar de oceaan op altijd dezelfde manier. Kalm en egaal. Koperkleurig. Uw drankje, meneer! Hij knikt. Een oud-collega is hij komen bijstaan die zijn vrouw en zuster in het verkeer heeft verloren. Een door drugs bevangen idioot reed in op de dames die bij een kraam aan de straatweg stonden verse groenten te kopen. Morsdood. Ze moesten haar restanten van de muur van een winkeltje afpellen. Nog steeds is zijn goede vriend niet aanspreekbaar. De geur van alcohol dringt zich op en hij drinkt wat. Achteloos. En hij zelf kan maar niet wegkomen ook. Dit land houdt hem vast. Omhoog gaat zijn blik. Een stuk van de tropenhemel haast dichtgeschroeid door regenwolken. Hij heeft al zo lang geen vrouw gehad. Hij weet wat zijn vriend te wachten staat na dat vreselijke verlies. Zijn eigen vrouw had borstkanker. En zo heeft hij de arts leren kennen met wie hij afgesproken heeft. Zijn vrouw wou haar laatste maanden doorbrengen in Paramaribo. Zij was haar vaste medicus. Zij had hem moed ingesproken, ook toen alles voorbij was. En zij had onomwonden duidelijk gemaakt dat zij beschikbaar was voor meer dan medische zorg en troost. Hij nam nog een Borgoe-cola.

Niet dat hij het na Hetty’s overlijden niet opnieuw heeft geprobeerd met vrouwen, voorzichtig aangemoedigd door hun zoon, maar hij was niet op zoek naar een lichaam. Naar een ervaring keek hij uit. En daarom ook had hij voor een huurappartement gekozen en niet voor een hotelkamer. Hij wou proberen thuis te zijn. Op zijn gemak. Niet omringd door wildvreemden. Zelf het bed opmaken. Het watercloset schoon houden. De afwas doen. En ongestoord doorlezen in een dik boek. En het is zijn zoon die hem een abonnement gaf dat hem haast omver had geblazen. Hij schoof zijn telefoon uit zijn broekzak. Hij zweette. Hij drukte op een paar toetsen. De plaatjes. Hij keek. Die meiden met alles wat intiem is compleet bloot. Scrolde. Hijgt haast. Hij voelt het bloed jagen naar zijn liezen. Even staart hij naar de rivier. Hij keek ook op zijn horloge. Nog uren te gaan. Hij is zo slecht in wachten. Zij is vast twintig jaar jonger dan hij. En iets te dik. Lekker wijf. Hij staat op om naar het toilet te gaan. En hij vraagt om een Borgoe puur. Bij de pisbak ritst hij zijn broek open. Bevoelt zijn geslacht. Staal. Een glimlach. Zijn lichaam doet het voor hem. En als zij niet uit was op seks en alleen wat wou bijbabbelen zou zijn lijfskracht haar dwingen. Gulp weer dicht. Vrouwen toch. Voor je het weet hebben ze je beschuldigd van grensoverschrijdend handelen. Maar hoe ver mag een meid gaan in het verleiden van een gezonde vent? Hij wil haar hoe dan ook tegen zijn lul voelen wrijven. Het doet pijn. Onvervuld verlangen doet echt pijn. Met een slok is de rum weg. Afrekenen, meneer? Laat mij met rust, ober, snauwt hij. De jongeman verdwijnt zwijgend richting de bar. Afrekenen kan later.

De Surinamerivier die af en toe een burger opvangt die niets meer heeft om voor te leven. De Bosjebrug in de verte. Het leven moet ook een handvat bieden aan een persoon om er een eind aan te maken. In Den Haag maken ze niet zo’n heisa van zelfdoding en in zijn etnische groep al helemaal niet. Een vrouw komt aanlopen. Het betekent dat hij kan worden vermaakt zover als zijn lust reikt. Hij schuift het mondkapje strak tot ver over zijn neusgaten. Dag meneer, fluistert ze en gaat dichtbij zitten. Hij bekijkt haar en als de ober zich laat zien vraagt hij om de rekening en een drankje voor haar. De dame glimlacht naar hem. Kan hij zien door haar mondkapje heen. Hij strekt de benen. Tijd om te lopen naar zijn afspraak aan de andere kant van de stad.

De meeste kerels krijgen na hun 50ste buikvet, maar jij bent nog zo slank als een garnaal. Hij zit naast haar in de auto en trekt de gordel strak. Hij wil het niet hebben over hoe een man soms lijdt als zijn vrouw wegvalt na veertig jaar huwelijk. Ik kan niet eens een eitje bakken, legt hij uit. Hij kijkt maar door de voorruit. Schaamt zich een beetje. En zij rijdt met haar beide handen stevig om het stuur terwijl ze af en toe een opmerking maakt die hem diep raakt. Hij zit vast. Kan niet terug. En toen zij haar garagedeur mechanisch deed openschuiven en met hem naar binnen reed en weer dicht dirigeerde, brak het zweet hem uit. Hij kreeg de autogordel niet los. Haar handen moesten hem bevrijden. Sprakeloos volgt hij haar naar een deur en nog een deur tot hij stond in het binnenste van haar huis. Maak het je makkelijk, man! En ze kijkt geamuseerd naar hoe hij bleef staan alsof hij niet wist wat te beginnen. Handen wassen? En of hij iets wil drinken? Zij zou een gin-tonic nemen en dan meteen gaan douchen. Of hij meedoet? Een schok door hem heen. Meedoen waarmee? Het handenwassen doet hij uiterst zorgvuldig. Een minuut om zijn gedachten te ordenen. Hij kon schone handdoeken krijgen en een kamerjas en uiteraard ook een koude drank. Hij kijkt eindelijk goed om zich heen.

Mooi woon je. Ja, vleit ze. En: ik kom niets te kort! Hij neemt het glas vol ijsblokjes aan en kijkt haar eindelijk recht aan en terwijl ze haar cocktailglas naar de lippen brengt vuurt hij zijn vraag af. Wat wil je van mij? Maar haar hoofd stond naar haar routine van drankje, beroepskleding afwerpen, douchen en dan de avond laten invallen. En hij mocht haar niet in de weg lopen. Zij dronk haar gin-tonic weg en zoog op een mondvol ijsblokjes. Hij ging eindelijk zitten en besloot te wachten op een antwoord. Zij ging een trap op. Laat hem bij de keukentafel zitten zwijgen. En zij kwam terug met een stapel handdoeken die zij hem haast in de schoot wierp. Ik wil slapen met je, zegt ze zachtjes. Kijkt hem onderzoekend aan. Waar is jouw badkamer? Boven, zegt ze. Hij knikt en bukt zich om zijn schoenen los te veteren. Zij wil dat hij haar naakt ziet en zij wil hem naakt kunnen bekijken. Hij houdt het nog redelijk goed bij. Om geen fouten te maken. Zij wil slapen met hem. Waarom had zij niet gewoon gezegd dat ze door hem genaaid wil worden? Op blote voeten en half naakt loopt hij achter haar aan een trap op naar een lichter gedeelte van haar woning. Heb je honger, vraagt ze opeens. Hij schudt het hoofd. Heb jij een tandenborstel en tandpasta voor me? Zij knikt. Hij weet het. Het gaat gebeuren. Hij kijkt in haar slaapkamer. Het bed. Strak opgemaakt. Witte lakens. Zij zegt: Meestal val ik op de bank in slaap. Hij kijkt naar de grote hoekbank van leer in de kleur van de stadsrivier. En jij? Hij voelt zich een beetje tipsy. Hij zegt: De hele nacht kijk ik naar naakte vrouwen en mannen die hun ding doen! Ik soms ook, bekent zij. En: laten wij gaan baden.

Hij hoort haar spetteren onder de douche. Kijkt zichzelf in de ogen terwijl hij zijn tanden poetst en zijn mondholte reinigt door luidruchtig te gorgelen. De spiegel laat een smal gelaat zien dat glad is geschoren net als zijn schedel. Genoeg, roept ze plagerig. Oké, krijgt zij terug. Spiernaakt loopt hij haar tegenmoet. Dubbele douchekoppen. Hij gaat onder een eigen stortbui staan. Kijk naar mij en niet naar mijn badkamertegeltjes, schampert zij opnieuw. Reikt naar hem met een washand schuimend van zeepresten. Het lauwe water maakt hem loom. Zijn mannelijkheid krimpt. Zijn lust is veranderd in slaperigheid. Maar dan staat ze dicht tegen hem aan met haar billen wrijvend langs zijn ballen. Zijn handen vinden de bekende routine. En bij haar buik, borsten en zij brengt zijn vingers naar waar zij wil worden betast. Keer je om, smeekt hij. Het korte hoofdhaar van haar als natte grassprieten winden hem nog meer op. Eerst nog mijn tanden poetsen, zegt zij en wringt zich los. Hij laat haar gaan. Hij weet dat hij haar volgt tot zover zijn zelfbeheersing gaat en ach: hij is binnen in haar huis en zo meteen penetreert hij haar lichaam. Zij gorgelt. Spuugt. Gorgelt. Spuugt. Vind je het gezellig als ik wat te eten ga klaarmaken voor ons? Hij wrijft zich droog. Alles wat je wilt is goed, mompelt hij alsof hij verliefd is op haar. Hij is verliefd.

Zij houdt de zonneschermen dicht. Geen inkijk vanaf de straat. Hij wil iets van buiten zien. Koelkast open. Meekijken, roept ze lievig. Wie haalt jouw boodschappen? Online en ik duik weleens een supermarkt in. Zij trekt van alles uit de kast. Geen rauwkost, zegt hij. Geen soep ook. De koelkast gaat dicht. Zal ik Indiaas laten komen? Hij aarzelt. Zijn die mensen covidvrij dan? Zij zit. Eindelijk. Benen op de bank. Kamerjas half open. Ik weet hoe het virus wordt overgedragen en waar ik maaltijden haal, weten zij dat ik medicus ben! Hij naast haar op de bank. Bellen? Hij knikt. Mag ik kiezen? Hij knikt. Forceert zij een soort van uitstel, overweegt hij omdat zij misschien niet zoveel zin heeft in seks. Zij aan de telefoon. De bestelling wordt over een uur geleverd. En hoe kom ik thuis? Zijn stem klinkt ongeduldig. Jij komt helemaal niet thuis vandaag, zegt zij met haar doktersstem. Jij blijft bij mij tot ik helemaal bevredigd ben. Had zij niet moeten zeggen. Hij kan niet langer wachten. Hij pakt haar en duwt haar languit op de bank. Zij kreunt. Hij schuift alle kleding weg en ligt op haar met zijn volle gewicht. Mijn god, zucht zij. Hij vindt haar mond en zij duwt zijn penis bij haar naar binnen. Overweldigend schreeuwen zij het beiden uit van pijn die overgaat in genot. Hij is groot. Hij weet dat. En zij is als de poort die hem binnenlaat waar het regent. Hij huilt. Het duurt en het duurt. Soms beweegt zij. Dan richt hij zich even op om haar opnieuw te doorboren. Zij huilt. En de schemering is eensklaps duisternis geworden. En ze zwijgen. In het donker blijven zij liggen tot de deurbel klinkt. Zij slaat haar kamerjas om. Gaat. Hij hoort haar spreken. Een deur gaat open. Dicht. Hij wringt zich in een badjas. Hij denkt met schrik. Is dit haar manier van compleet bevredigend leven in deze duffe stad? Kom eten, roept zij. De boxjes met kleine gerechten op een gedekte tafel. Twee borden. Twee stellen bestek. Twee servetten. Een karaf water. Hij begint te houden van haar. Ga toch zitten, kanjer, zegt zij. Ja. Naast mij. Ik heb zoveel jaren verlangd naar dit moment om je te vertellen wat ik voel voor jou. Zij pelt de verpakkingen los. Hij ruikt haar. Hij ruikt masala die opstijgt van de Chicken Malai Tikka. Er waren negen coviddoden vandaag, mompelt zij. En: Ik moet steeds de dood vaststellen. Hij luistert naar haar terwijl hij toekijkt hoe haar handen hem bedienen. Hij houdt van haar. Een zoen op haar lippen. Met hun vingers scheuren zij de roti stuk. Kleine happen. Zij legt haar hoofd tegen zijn schouder. Kauwt haar mond leeg. Hij hoort haar ademen. Wil je trouwen met mij?

Astrid H. Roemer is schrijver van romans, toneelteksten en gedichten. Ze debuteerde in 1970. Haar nieuwste boek Gebroken Wit verscheen in 2019 bij uitgeverij Prometheus. Dit najaar ontvangt ze als eerste Surinaamse auteur de Prijs der Nederlandse Letteren voor haar hele oeuvre.