COLUMNCindy Hoetmer

Als zzp’er had ik inmiddels zo weinig werk, dat er tijd genoeg was voor een hond

Beeld Aisch Zeijpveld

Ik deed dingen waarvan ik nooit had gedacht dat ik ze zou doen. Zo stond ik ’s morgens vroeg in een park, op gemaakt enthousiaste toon, ‘Jeeej, goed geplast liefje!’ te roepen, want honden reageren goed op enthousiasme. Ook belde ik een uur met een Brabantse dierengedragstherapeut, en lepelde ik, met een knijper op mijn neus, hondenpoep van drie dagen in een jampot voor darmonderzoek. Want ik had eindelijk een hond.

Al voor de pandemie was ik tot de conclusie gekomen dat ik inmiddels als zzp’er zo weinig werk had, dat er tijd genoeg was voor een hond. Daar droomde ik al van sinds mijn vroege jeugd. Ik vond honden waarvoor een nieuw huis werd gezocht, op Marktplaats en via andere websites en Facebookpagina’s. Ik schreef ronkende mails, stopte er gunstige foto’s van mijn leefomgeving bij, maar viste steeds achter het net. Omdat ik geen ervaring had, mijn tuin te klein was, ik in een drukke stad woonde of omdat iemand die later had gereageerd er sneller kon zijn. Ik was al gewend afgewezen te worden door werkgevers en mogelijke minnaars, maar dit was nieuw. Ook nieuw was dat ik niet opgaf. En toen zei iemand van een stichting ja.

Op een winderig veldje ging de deur van een bus vol Griekse zwerfhonden open en werd een verontrustend licht hondje, dat ik slechts kende van wat onhandige foto’s, in mijn armen geduwd. Ze had kromme pootjes, een kippennekje en de allerliefste ogen die ik ooit zag. Ze leek op een Disney-hondje, maar dan nagetekend door een kind, met zijn verkeerde hand. Het was een schatje. Ze gedroeg zich meegaand, schappelijk en beleefd tegen alles en iedereen, behalve tegen mijn kat. Ja, ik heb een kat, een oudere. En nee, dat ging niet samen. Dat had ik inderdaad van tevoren kunnen bedenken, maar ik was optimistisch, want het gebeurt niet iedere dag dat een kinderdroom uitkomt en probeer dan maar eens verstandig te zijn.

De weken daarna leefde ik in een oorlogsgebied. Mijn slaapkamer en tuin waren van de kat, de hond kreeg de woonkamer en de rest van de wereld. ’s Nachts blokkeerde ik de tussendeuren met dekens en meubels opdat ze elkaar niet konden horen. Ik sliep slecht, want de kat eiste ’s nachts de aandacht op die ze overdag tekort was gekomen. Er bleef geen energie over voor werk, administratie of persoonlijke verzorging. Ik raakte mijzelf een beetje kwijt.

Ook werd de idylle van het wandelen langs de kade op een dampende zomerochtend, met zo’n hond die steeds liefdevol naar je omkijkt, verstoord door experts. Achter elke boom of struik wachtte iemand met kritiek. ‘Uw hond is te mager.’ ‘Knuffelt u hem wel genoeg?’ ‘Hij heeft verlatingsangst.’ ‘Krijgt-ie wel voldoende te eten?’

Op een dag nam ik de hond mee naar de kroeg. ‘Leuke hond’, zei de barman.

‘Jazeker, maar ik kan haar niet houden’, antwoordde ik. Het werd plotseling doodstil in het café. ‘Ze kan je horen’, zei iemand verwijtend. Maar de hond was Grieks, en hond.

Ik was niet van plan het beestje aan een boom te binden, noch wilde ik haar terugsturen naar Griekenland. Ik had mensen gezocht die voor haar konden zorgen, die meer honden hadden en buiten woonden. We gingen erheen voor een eerste kennismaking, en die ging goed. Iedereen moest er nog over nadenken, maar ik wist dat mijn antwoord ja zou zijn. Op de terugweg zat ik in de bus, met de hond rustig op mijn schoot. Ze had haar pootjes op mijn arm en we keken samen naar de grote schepen in het kanaal. Het ademen met een mondkapje ging een stuk moeilijker dan op de heenweg, ik stikte zowat.

‘U bent toch niet verkouden?’, vroeg een man in het aanpalende bankje, naar aanleiding van mijn gesnotter.

‘Nee’, antwoordde ik, ‘ik ben aan het huilen.’

‘Dan is het goed’, antwoordde de man. En dat was het, het was goed.

Meer over