ColumnThomas van Luyn

Als we nu niet gingen varen, hadden we het bootje voor niks gekocht

Thomas van Luyn Beeld
Thomas van Luyn
Thomas van Luyn

Het weer was zo belachelijk mooi, dat we wel met het bootje móésten gaan varen. Het aanleggen was vorige keer een nachtmerrie gebleken, qua dekzeil erop krijgen en op de kade zien te komen, dus de drempel was aanzienlijk. Maar als we nu niet gingen, hadden we het ding voor niks gekocht. Dus kocht ik zakken chips en cola, en deelde het gezin mee dat we met z’n allen gingen varen. Inclusief de hond, voor wie het de eerste keer zou zijn, hetgeen nog een extra drempeltje boven op de bestaande drempel plaatste. Maar wie dan leeft, wie dan zorgt; eerst moest er iemand (i.e. ik) het dekzeil zien te verwijderen, anders kon er überhaupt niemand in. De kade was te hoog om in te stappen, laat staan om de lusjes van het zeil los te maken, dus het vroeg enig denkwerk. Uiteindelijk was de grote ladder uit huis halen en in de gracht steken het enige wat op een oplossing leek.

Het water bleek niet diep, en de ladder stond verrassend stabiel. Ik daalde de sporten af, en toen ik een centimeter boven het ijskoude water hing, kon ik het dekzeil losmaken en aan boord gaan. De motor en de accu werden naar beneden gelaten, waarop iedereen de ladder af kon, behalve de hond. De oplossing was simpel: één iemand zou met de hond naar een laag steigertje lopen, en dan zouden wij daarnaartoe varen.

Zo gezegd zo gedaan (zo gediggy-daan, zou Extince zeggen). Zoon en hond stonden te wachten op de steiger, en ik voerde een manoeuvre uit die op aanleggen leek. Zoon stapte aan boord met de hondenriem in de hand. De hond keek panisch, want zijn grootste angst is achtergelaten worden. Dus besloot de lieve, lieve sukkel zonder enige aansporing in onze algemene richting te springen, waarbij hij de boot faliekant miste. Op dat moment beseften allen – de hond niet in het minst – dat hij nog nooit had gezwommen. Twee zegeningen: ten eerste had zoon wijselijk de riem vastgehouden, ten tweede was die bevestigd aan de hond middels een tuigje. Als dat een halsband was geweest, hadden we hem zeker verwurgd bij het in de boot hijsen. Maar drie seconden na zijn onderdompeling stond hij veilig in de boot, en voer ik weg met op de voorplecht het zieligste wat ik ooit had gezien: kletsnat, met de staart tussen de benen probeerde de hond bibberend chocola te maken van wat er in godsnaam zojuist was gebeurd.

Gelukkig heeft hij het geheugen van een bromvlieg, dus toen hij tien minuten later opgedroogd was, stond hij als dat beeldje op de motorkap van een Rolls-Royce voorop, met flapperende oren en neus in de wind.

Die wind, die bleek toch wel een dingetje. Het elektromotortje had de grootste moeite om ertegenin te varen, zodat we af en toe bijkans stilstonden. En blies hij van de zijkant, dan dreven we langzaam maar zeker naar de kade. Eenmaal op het open water was het onmogelijk om te zien of we voortgang maakten. Mijn vrouw zei: ‘Je hebt toch wel de volle accu gepakt hè, en niet die van het vorige tochtje?’ Ah. Dat verklaarde veel. Ook dat de motor er nu mee uitscheed.

De hond bleef vrolijk kwispelend de wind opsnuiven. Ergens, ver achter ons, stond een ladder in de gracht.

Meer over