ColumnPeter Buwalda

‘Als u het niet erg vindt’, zei ik bozig, ‘dan tel ik de Pravda even niet mee’

Ooit, tijdens een postdoctorale opleiding journalistiek, moest ik een spreekbeurt houden. De juf kon me wel schieten, om ­allerlei redenen. (De meester ook, om vrijwel ­dezelfde redenen, al moet gezegd dat ze allebei ook zo hun eigen redenen hadden. Tijdens het afscheidsetentje van de opleiding heeft de meester me nog toegesproken, als hij nu een kalasjnikov had, zei hij plechtig, dan zou hij me neerschieten. Je kon een speld horen vallen, hihi.)

De spreekbeurt, heel origineel, moest gaan over iets uit de krant. Mij was opgevallen dat er columns in stonden, daarom leek Simon Carmiggelt me een goed onderwerp. ‘Je zou kunnen zeggen’, stak ik van wal, ‘dat Simon Carmiggelt de eerste columnist was.’

‘Flauwekul’, bulderde de juf van achter uit het lokaal. ‘Columns zijn van alle tijden en alle landen.’

Waarschijnlijk keek ik als Stan, de maat van Ollie, en krabde ik vanuit de hoogte op mijn kruin. Mijn plan was geweest om de eerste zin uit Carmiggelts eerste column voor te lezen, ik had namelijk zijn eerste columnbundeltje op de kop getikt, speciaal voor mijn spreekbeurt. Leek me leuk, voor de historische sensatie, maar door de didactische ingreep van de juf zag ik het beoogde effect als gletsjerijs in het ­water lazeren.

‘Als u het niet erg vindt’, zei ik, en nu keek ik juist als Ollie van Stan, bozig, klaar voor wraak, ‘dan tel ik de Pravda even niet mee.’

Oei. Onder de gordel. Tandenknarsend ­noteerde de juf iets in haar boekje, vermoedelijk een additionele ­reden om me te kunnen schieten. Ze was namelijk een ouwe communist, wisten we allemaal, die tot diep in de glasnost voor De Waarheid had getikt. Het lag gevoelig, was me opgevallen. Niet iets om voortdurend aan te ­refereren. Kwam nog eens bij dat ik tijdens de opleiding illegaal aan het afstuderen was op Karel van het Reve, die er zijn werk van had gemaakt uit te leggen wat er zo onnozel was aan de leer van Marx. Elke les schoof ik wel een andere Karel-bundel naar de hoek van mijn tafeltje.

Geen idee hoe ik me door die spreekbeurt heen heb geworsteld. Waarschijnlijk functioneerde die ook prima zónder dat Carmiggelt de eerste columnist was, maar bijvoorbeeld de elfde, of de zesentwintigste. En ach, het was ook wel leerzaam wat de juf zo fijntjes te berde bracht, want uitgezocht had ik het niet. Mijn computer zat nog niet op internet, destijds, hoe kwam je überhaupt aan je informatie? Helemaal naar een bibliotheek fietsen zeker, en daar Carmiggelt opzoeken in de Winkler Prins? En dan maar hopen dat er speciaal voor mijn spreekbeurt vermeld stond dat hij de eerste columnist was? Dan nog liever een lekke band!

Hoe die dingen kennelijk gaan, is dat ik de tegenwerping van de juf klakkeloos heb overgenomen. Hoewel ook zij geen namen van oudere columnisten door mijn spreekbeurt heen brulde, weet ik sindsdien toch zeker dat Carmiggelt niet de eerste is geweest.

‘Wie wel?’, vraagt Jet.

‘Al schiet je me dood.’

Nog altijd, zij het door corona minder vaak, steek ik geregeld mijn hand op en zeg: ‘Carmiggelt? Ach, wat lul je nou, columnisten zijn van alle tijden en alle landen.’

Meer over