Opinie

Als dank voor hun royale solidariteit, nu graag meer aandacht voor de jeugd

Terecht dat 2022 is uitgeroepen tot Europees Jaar van de Jeugd, met het braaf opvolgen van de coronamaatregelen bewezen jongeren ouderen een grote dienst. Zij verdienen nu een fris ‘sociaal contract’ dat gunstig is voor hun, zo andere, toekomst.

Marjan Slob
Jongeren in Amsterdam tijdens de huidige lockdown. Beeld ANP
Jongeren in Amsterdam tijdens de huidige lockdown.Beeld ANP

Eindelijk een dankjewel, dacht ik toen ik vernam dat de Europese Raad en het Europees Parlement het jaar 2022 hebben uitgeroepen tot Europees Jaar van de Jeugd. Toch nog officiële erkenning voor het opmerkelijke fatsoen en de ruimhartigheid waarmee verreweg de meeste 16- tot 25-jarigen zich hebben gevoegd naar de coronamaatregelen. Hun offers zijn het grootst, geeft Europa toe, want de oproep van staatswege om in een zo klein mogelijk wereldje te gaan leven, komt precies op het moment dat jeugdigen juist de moed, energie en drang voelen om hun leefwereld uit te breiden. Al twee jaar moet deze leeftijdsgroep zich inhouden om een virus in te dammen waarvan zij zelf meestal maar twee dagen ziek zijn. En dat doen ze nog ook! Uit liefde voor ons. Dus ja, dat bedankje uit Europa is volkomen op zijn plaats.

Of jongeren zo blij zullen zijn met de ‘conferenties, evenementen, voorlichtings- en promotiecampagnes en een aparte coördinator per land’ waarmee het Europese bestuursapparaat zijn dankbaarheid wil uitdrukken, betwijfel ik. Maar het gebaar staat. En dat is al heel wat, want ons politieke systeem kan de principiële verschillen tussen de leeftijdsfasen eigenlijk maar moeilijk onder ogen zien.

Solidariteit is gebaseerd op het besef dat ‘wij’ goedbeschouwd allemaal in hetzelfde schuitje zitten. Ouderen en jongeren staan echter onvermijdelijk anders in de tijd. Hoe doe je dat eigenlijk, solidair zijn met groepsgenoten die aanzienlijk meer (of minder) toekomst hebben dan jij? Op die vraag is de politieke theorie slecht berekend.

Contractdenken

Aan de basis van de westerse liberale democratie ligt een vorm van contractdenken. Wij burgers sluiten een deal met de staat omdat we denken dat we daardoor beter af zijn. Dat is in de ogen van de invloedrijkste politiek filosofen de enige mogelijke verklaring voor het feit dat wij ons primaire zelfbeschikkingsrecht opgeven. Motieven kunnen verschillen – bij Hobbes doen we dit uit angst, Rousseau ziet de staat als manager van onze gemeenschappelijke wil, Rawls denkt dat we ons voegen uit verlicht eigenbelang – maar de vorm is dus steeds die van een soort ‘contract’.

Deze voorstelling van zaken redt weliswaar het liberale zelfbeeld, maar maakt beleid vaak bijziend. Je kunt nu eenmaal geen afspraken vastleggen met mensen die er nog niet zijn, met als gevolg dat de liberale politieke theorie de relatie met burgers die leven na onze eigen tijd eigenlijk niet goed kan ‘denken’. En dat werkt door.

Wie denkt in contracten, is gericht op het afdekken van de risico’s die zich kunnen voortdoen tussen de maatschappelijke ‘zakenpartners’ van nu. Vandaar, denk ik stiekem, dat rasliberaal Rutte ‘visie’ zo’n vies woord vindt. Het is zijn instinct om bestaande relaties te beheren. En dan moet je je de toekomst niet veel anders voorstellen dan het heden, want dan haal je je maar onzekerheden op de hals. Systeemveranderingen moeten voor hem voelen als het doorbreken van een contract.

Systeemverandering

De grote politieke vraagstukken van deze tijd – die rond klimaat, stikstof, wonen, voedsel – zijn echter niet op te lossen door dealtjes te zoeken binnen de huidige manier van denken en doen. Ze vragen juist expliciet om een systeemverandering, om het openbreken van knellende contracten. Burgers met veel toekomst zouden nooit voor de huidige arrangementen tekenen: die deal valt voor hen veel slechter uit dan voor ons. Bij systeemveranderingen hebben jeugdigen juist veel meer te winnen dan wij. Hun stem klinkt echter slecht door in het ‘sociaal contract’, simpelweg omdat ze nog maar weinig tijd aan de onderhandelingstafel hebben doorgebracht (of daar zelfs nog moeten aanschuiven).

Het kan ook anders. Je hoeft als beleidsmaker niet louter te denken in termen van uitruil. Dat merkte ik toen ik snuffelde aan het werk van de Deltacommissaris. De ambtenaren daar werken met een tijdshorizon van honderd jaar en bedenken actief wat zij nu moeten doen om te zorgen dat de mensen van straks nog wat te kiezen hebben. Zij weten bijvoorbeeld dat het waterpeil gaat stijgen, al weten ze niet precies hoeveel.

Een dijk zo hoog maken dat die ook in het zwartste scenario het wassende water tegenhoudt, klinkt wel zorgzaam, maar is ook duur, log, en wellicht overbodig. Met zo’n oplossing zet je de toekomst dus al een beetje op slot. ‘Misschien’, zo redeneren deze experts, ‘kunnen we een dijk die we nu toch al moeten versterken een beetje extra breed maken, zodat die dijk relatief eenvoudig op te hogen is als de zeespiegel straks sterker blijkt te stijgen dan nu voorspeld.’ Zij zoeken dus actief naar oplossingen die de burgers van straks ruimte laten om de wereld naar eigen wensen en bevind van zaken in te richten.

Natuurlijk voeren ook deze beleidsmakers onderling verhitte debatten over welke maatregelen precies het beste zijn, en waarom. Hun oplossingen zien er echter sowieso anders uit dan de oplossingen die je krijgt als je onderhandelt met de partijen van nu. Zij redeneren namelijk niet vanuit verlicht eigenbelang, maar met een voorstelling voor ogen van de wereld na hun eigen dood.

En dat besef van hun eigen eindigheid geeft hun de impuls om zoveel mogelijk ruimte te geven aan de mensen die nog zullen leven als zij er zelf niet meer zijn. Dergelijk beleid is niet bedacht vanuit een contract, maar vanuit liefde. Inzetten op zulk beleid – juist waar het de grote politieke vraagstukken van deze tijd betreft – lijkt mij een passende manier om jongeren te bedanken voor hun solidariteit met ons.

Marjan Slob is schrijver en filosoof.

Meer over