ColumnAaf Brandt Corstius

‘Al snel kwamen er teksten uit mijn mond als: Grind op je pink, dat moet echt pijn doen’

null Beeld
Aaf Brandt Corstius

De afgelopen weken voelde ik een intense haat jegens de Formule 1 en zoals altijd met intense haat zat er natuurlijk meer onder de oppervlakte; het ging me om het feit dat dat wel mocht doorgaan en veel belangrijker dingen niet, dat de hobby’s van kinderachtige mannen altijd voorgaan in deze wereld, dat auto’s de lucht vervuilen, en het eind van het liedje was dat ik dingen uitriep als IS HEEL HARD AUTOOTJE RIJDEN EIGENLIJK WEL SPORT???

Dit coïncideerde, niet geheel toevallig, want de Formule 1 was constant op tv en vast ook op TikTok, met een nieuw gevonden liefde van mijn zoon. Hij hield ineens van de Formule 1. Zoals dat bij kinderen gaat, had hij er de ene dag een sprankel van interesse voor opgevat en de volgende dag kende hij de namen van alle coureurs, wist hij welk team de beste auto had en wat echt een rotcircuit was (Monaco, stratencircuit, dat rijdt heel kut).

Nog een dag later had hij al zijn zakgeld geïnvesteerd in een stuur dat op zijn PlayStation werd aangesloten en nu is hij steeds aan het formule-enen tegen vrienden die thuis ook zitten te formule-enen, en hoor ik van boven alsmaar de uitroep: ‘Lezz gooooooooo!’

Er bleek over de Formule 1 ook een meeslepende Netflix-docuserie te bestaan, net als over alles: Drive to Survive. Ik keek een beetje mee, eerst met een half oog, daarna ging ik er af en toe voor zitten, en al snel kwamen er teksten uit mijn mond als ‘Nee, zit hij nou ineens op het tweede stoeltje?’ en ‘Grind op je pink. Dat moet echt pijn doen.’ Ik vatte een ongerichte haat op voor teambaas Lawrence Stroll en ontwikkelde moederlijke gevoelens voor Pierre Gasly, de jongen met het kleine hoofd in de grote helm, en ging nog meer van hem houden nadat hij een bloemetje had gelegd in de bocht waar zijn beste vriend ooit was gestorven. ‘Je kunt echt dóódgaan bij die sport,’ verzuchtte ik. Mijn zoon keek me meewarig aan.

Het ging precies zoals het met voetbal was gegaan. Ooit lachte ik iedereen uit die er iets mee te maken wilde hebben, toen werd ik moeder en nu sta ik elk weekend langs niet één maar twee lijnen mijn kinderen aan te moedigen. Ik hou op mijn telefoon de stand bij als Ajax speelt en ik presteer best aardig als mijn zoon me overhoort. ‘Wie is dit, mama?’ ‘Memphis.’ ‘Goedzo. En dit?’ ‘Pasveer.’

Dus wie was de vrouw die zaterdag bij de zelfscanner van de supermarkt twee Formule 1-tijdschriften afrekende? Ja, klopt.

Meer over