Verder lezen

Al die onbekende vrouwelijke kunstenaars zijn eindelijk op weg naar de canon

Mexico City, omstreeks 1940: Frida Kahlo poseert voor een portret. Beeld Getty Images
Mexico City, omstreeks 1940: Frida Kahlo poseert voor een portret.Beeld Getty Images

‘Wat ik zorgwekkend vind en wat ik telkens merk, is dat mensen het hebben over Frida of Artemisia. Studenten kunstgeschiedenis doen dat ook spontaan als ze schrijven over vrouwelijke kunstenaars, ze zouden het nooit zomaar hebben over Pablo, Henri of Piet. Dat is zo veelzeggend! Dat we vrouwen infantiliseren door hen bij hun voornaam te noemen.’

Deze uitspraak van de feministische kunsthistoricus Griselda Pollock, geïnterviewd naar aanleiding van de tentoonstelling over Frida Kahlo in het Drents Museum (Cultuur & Media, 8/10), wekte lichte irritatie bij Ruurd Mulder, die schreef: ‘En Rembrandt en Michelangelo dan?’ (O&D, 10/10). Geen jongens die eronder hebben geleden dat ze vooral bij hun voornaam bekend zijn gebleven.

En jawel, daar is Jennifer Higgie met haar nieuwe boek Spiegel en palet, die in haar bespreking van vrouwelijke kunstenaars ze consequent bij hun voornaam noemt. Omdat vrouwen in de Griekse en Romeinse oudheid en tot ver in de Middeleeuwen met één naam bekend waren en vanaf dan, mits getrouwd, de naam van hun echtgenoot gaan dragen. Higgie: ‘De voornaam van een vrouw was vaak de enige constante in haar leven.’

Belangrijker is de poging die Higgie onderneemt om aan de hand van een aantal zelfportretten vrouwelijke kunstenaars uit te lichten. Want bij wie gaat een belletje rinkelen bij namen als Catharina van Hemessen uit Antwerpen (1548, zelfportret op 20-jarige leeftijd) of leeftijdgenoot Sofonisba Anguissola uit Cremona (geb. rond 1535, destijds een van de beroemdste Europese kunstenaars)?

Piepjonge vrouwen, met uitzonderlijk gaven, beeldschoon of gewoontjes, zelfstandig werkend of in opdracht van de beroemde Franse koningin Marie Antoinette. Getrouwde, gelukkige vrouwen, moeders, reislustige, bescheiden, introverte types, gewoon, kunstenaars met hun eigen levens.

En, uiteraard, wel allemaal op voorhand op achterstand. Want vrouwen mochten niet op tekenles. Geen (naakt)modellen schilderen. Deden kinderen en huishouden erbij. Wat mantelzorg. En de namen bij hun kunstwerken werden niet genoemd, vergeten of door de geschiedenis (oorlog, brand) uitgewist of weggekwast, want niet zelden toegeschreven aan mannen.

Interessant is Higgies beschrijving van het belang van de introductie van de spiegel in de 15de eeuw: hoewel tot in de 19de eeuw een luxe-artikel, kon een vrouw met hulp van een handspiegel zichzelf schilderen en was ze haar altijd beschikbare model in haar eigen domein (aka huishouden), buiten het bereik van mannelijke ge- en verboden.

Pollock, wegbereider van het uit de vergetelheid halen van vrouwelijke kunstenaars, had over het proces van vergeten van namen opgemerkt: ‘Nu kennen mensen Louise Bourgeois of Frida Kahlo of Artemisia Gentileschi. Ik zou het willen vergelijken met zo’n spel, waarbij je ballen gooit naar een bord dat kleeft of van klittenband is. De ballen gemarkeerd als vrouwen blijven gewoon niet zitten, omdat het oppervlak van het bord daar niet op is ingericht. Dus we blijven smijten met deze namen van vrouwen en hun oeuvres en maar een enkeling beklijft.’

Klopt, maar Higgie heeft met het hoe en waarom van het vrouwelijke zelfportret zitten sleutelen aan dat klittenbord. En al duurt het nog even voordat Gentileschi even soepel over de lippen rolt als Goya, je hebt wel ballen nodig om te gooien. Het intrigerende beeld van de middeleeuwse selfietechniek van Marcia (1403), de portretten van Sofonisba (1556), Judith Leyster (1630), Helene Schjerfbeck (1944), de Indiaas-Hongaarse Amrita Sher-Gil (1913), Loïs Mailou Jones (1905) van de Harlem Renaissance en al die anderen, ze zitten nu toch maar mooi in de ballenbak, op weg naar de canon.

Spiegel en palet, Verzet, opstand en veerkracht: 500 jaar zelfportretten van vrouwelijke kunstenaars; Jennifer Higgie, Spectrum, 352 p., € 27,99

Meer over