Columnkustaw bessems

Afgeven op de Tweede Kamer is een cliché dat de zittende macht erg goed uitkomt

null Beeld

Wil je iets chics zeggen? Schouderklopjes krijgen van weldenkende mensen? Probeer het dan hiermee: ‘De Tweede Kamer mag ook weleens naar zichzelf kijken.’

O, zo waar! Die rellerige, publiciteitsgeile Kamer. Met haar motiediarree, grote woorden en polarisatie. Die ordinaire bende die krijst om het ene en dan weer het andere wil, jakkiebah.

Van de week voegde Bart Snels van GroenLinks zich in dit koor. Volgens zijn afscheidsbrief stopt hij er vooral mee omdat hij het oneens is met de samenwerking tussen zijn partij en de PvdA. Maar hij vertrok niet zonder zich te beklagen over ‘destructieve politiek’. ‘Om de haverklap worden bewindslieden voor leugenaar uitgemaakt, ambtenaren in het beklaagdenbankje gezet, moties van wantrouwen ingediend.’ En toen kwam het: ‘Het grote taboe in het debat over de politieke bestuurscultuur is de wijze waarop de Kamer zelf functioneert.’

Een taboe? Echt?

Minister van Staat Herman Tjeenk Willink zegt het. Academici zeggen het. Mijn collega’s zeggen het. Oud-topambtenaren zeggen het. De Raad van State onder leiding van D66-prominent Thom de Graaf kwam vorig jaar met een uitgebreid ongevraagd advies om het te zeggen. En Kamerleden zelf zeggen het. Een parlementair onderzoek naar uitvoering van beleid eindigde in fikse kritiek op slechte wetgeving door de Kamer. Onlangs mocht SGP-leider Kees van der Staaij nog leeglopen over de ‘inquisitiedemocratie’. Deze opsomming is een beginnetje; afgeven op de Kamer is eerder een cliché.

De rol van de SGP is typisch. Een partij die de overheid als dienares van God ziet en zich daarom relatief vaak pro-regering opstelt. Met een leider, Van der Staaij, die in achterkamertjes voor die steun nog weleens een voordeeltje binnenhaalt, een oneigenlijke subsidie voor een antiabortusclub bijvoorbeeld. Dat zo iemand door journalisten ‘staatsrechtelijk geweten’ wordt genoemd, zegt veel over het dedain dat in Nederland heerst voor de oppositie. ‘Verantwoordelijkheid nemen’ is synoniem met regeren. Oppositie voeren heet ‘met lege handen staan’.

Het is daarbij kletskoek dat er niet wordt samengewerkt: een gedoogakkoord met de PVV, de Kunduz-coalitie, deals in de Eerste Kamer, volgzaamheid in de coronacrisis. Nederlandse politiek is juist gezellig samen besturen.

Het rare met die kritiek op de Kamer is ook dat die gelijk wordt verdeeld over het instituut, terwijl het gehekelde gedrag in het bijzonder van twee bewegingen komt: de haatzaaiende PVV en de extremistische Baudet-sekte.

Een ander probleem zit dieper. Op zich is het geselen van de Kamer terecht. Er is meer langetermijnperspectief nodig, meer precisie, meer aandacht voor wetgeving, meer samenwerking en meer consistentie. Maar dat mag niet afleiden van het grotere kwaad: een oppermachtig bestuur met een gepolitiseerd ambtelijk apparaat dat zich te vaak onttrekt aan controlemechanismen en dat publiek en parlement structureel verkeerd informeert.

Ja, het is lelijk om bewindslieden voor leugenaar uit te maken, maar is het niet lelijker dat de belangrijkste bewindspersoon, de premier, een leugenaar ís? En dat zoiets geen enkele consequentie heeft, is dat niet destructieve politiek?

Helden krijg je nooit precies zoals je zou willen. Maar of het nu om Hawija of Groningen gaat, om de toeslagen of Afghanistan, om de verkeerde informatie van Grapperhaus over fraude bij de landsadvocaat of over verkeerde informatie van Grapperhaus over onrechtmatige spionage: nergens zou schot in komen zonder die opgewonden, onuitstaanbare Kamer. En al helemaal niet zonder journalisten die wanneer ze zich volhardend tonen standaard worden beschuldigd van activisme of een hetze.

Moet de Kamer beter? Zeker.

Proberen regenten onder dat mom hun posities en oude gewoonten veilig te stellen? Minstens evenzeer.

Is er een mooiere verantwoordelijkheid dan krachtig oppositie voeren tegen Rutte IV? Geen enkele.

Mailen? k.bessems@volkskrant.nl

Meer over