Columnmax pam

1921 was een bijzonder jaar voor de Nederlandse literatuur

Max Pam columnist artikel Beeld -
Max Pam columnist artikelBeeld -

Is het toeval dat de twee grootste Nederlandse schrijvers van de laatste honderd jaar precies honderd jaar geleden zijn geboren? Ik geef toe dat je eindeloos over smaak en kwaliteit kunt twisten en dat er zodoende altijd vreemde kostgangers zijn die Van Genderen Stort, Mulisch of Marieke Lucas Rijneveld de grootste schrijver vinden van het tijdsgewricht, maar ik houd het op Karel van het Reve en Willem Frederik Hermans.

Voor de Nederlandse literatuur was 1921 een heel goed jaar, want toen zagen zij hun levenslicht. Karel van Reve werd op 19 mei 1921 geboren en Willem Frederik Hermans op 1 september 1921. Hermans stierf in 1995 op 75-jarige leeftijd. Karel werd wat ouder. Hij stierf in 1999 op 78-jarige leeftijd. Hoewel ik geen kabbalist ben, geloof ik dat de twee grootste Nederlandse schrijver van de 21ste eeuw in dit jaar 2021 geboren zullen worden – tenminste als de Nederlandse taal het einde van deze eeuw nog haalt.

WFH en Karel hadden veel gemeen. Beiden zijn in Amsterdam geboren; ze woonden lange tijd op nog geen kwartiertje fietsen van elkaar. Allebei kwamen zij uit een middenklassengezin en allebei gingen ze naar het gymnasium. Karel naar het Vossius en WFH naar het Barlaeus. Karel ging altijd over, maar WFH bleef een keer zitten, net als Karels broertje, ene Gerard, die zelfs van het gymnasium af moest, ‘maar niet omdat hij te dom was’.

Zowel WFH als Karel had een polemische geest. Je kunt gerust zeggen dat het pestkoppen waren, de een misschien wat erger dan de ander, maar in beiden brandde een heftig vuur om gelijk te hebben. Dat kregen ze vaak, maar soms ook niet, wat de een erg kribbig en verongelijkt maakte. Karel was doorgaans de laconiekste van de twee, maar ook hij kon in zijn vasthoudendheid behoorlijk baldadig zijn als hij vond dat hij gelijk had.

WFH begon links, Karel nog linkser. Ze eindigden beiden in het gedeelte van het politieke spectrum, dat tegenwoordig rechts wordt genoemd – WFH nog rechtser. Voor beiden was die ontwikkeling vanzelfsprekend, want in hun leven kregen zij vaak te maken met mensen die gevoelig waren voor wat toen ‘de totalitaire verleiding’ werd genoemd. Die totalitaire verleiding kwam destijds vooral van links en was te herkennen in het goedpraten van wat er in de Sovjet-Unie, in China en in andere dictaturen gebeurde. Voor cultuurrelativisme hadden zij evenmin veel gevoel en als zij nu moesten kiezen tussen Israël en Hamas, zou de keus niet moeilijk zijn.

Uiteraard werden zij daarom vaak fascist of reactionair genoemd. Karel was bovendien een renegaat. WFH is enige tijd de toegang tot de stad Amsterdam ontzegd, omdat hij Zuid-Afrika had bezocht. Dat werd hem door de Amsterdamse burgemeester Van Thijn meer kwalijk genomen dan door Hermans’ eigen Surinaamse vrouw. Door links werd Karel er altijd van beschuldigd dat hij werkte voor de CIA. Toen hem daarnaar werd gevraagd, antwoordde hij: ‘Dat mogen wij niet zeggen’. WFH heeft eens verklaard dat hij zijn snerpende kritieken zo grappig mogelijk probeerde op te schrijven, terwijl de humor van Karel zo droog was dat je je pas achteraf realiseerde dat er iets bijzonder geestigs was gezegd.

Beide schrijvers hadden een bijzondere verhouding met de taal, die er vooral uit bestond het raadsel niet te vergroten. Zij probeerden zich zo helder mogelijk uit te drukken. Dat lijkt voor een schrijver een voor de hand liggend streven, maar dat is het niet in een land waar de poëzie zich vaak in onbegrijpelijke bochten wringt, de leesbaarheid niet hoog in aanzien staat en de universiteiten liever in het Engels doceren.

Het is minder bekend, maar Hermans heeft uitvoerig gecorrespondeerd met de taalkundige Frida Balk-Smit Duyzentkunst, die als hoogleraar pleitte voor begrijpelijk taalgebruik. In zijn schrijverij werd Hermans geconfronteerd met allerlei grammaticale problemen, die hij aan haar voorlegde. Zij probeerde die voor hem op te lossen. Tenslotte kwamen zij gezamenlijk tot de conclusie ‘dat niemand foutloos schrijven kan’, maar dat het wel zin heeft zo veel mogelijk te zoeken naar een interne logica van de taal. De correspondentie is gortdroog, want mevrouw Smit Duyzentkunst neemt alles wat Hermans aandraagt zeer serieus. Toch zou het voor geïnteresseerden de moeite waard zijn die briefwisseling uit te geven.

Karel van het Reve lag overhoop met taalkundigen van een andere soort. Zijn essay Het raadsel der onleesbaarheid zou verplichte kost moeten zijn op alle middelbare scholen. Hem werd ook altijd verweten dat hij ‘de lachers op zijn hand kreeg’. Dat schijnt namelijk heel erg te zijn. Heel Nederlands: zelfs op zo’n volkomen onnozel feest als het Songfestival komt onze vertegenwoordiger aankakken met de slavernij.

Meer over