ColumnPeter Buwalda

1 april is een feest dat mij na aan het hart ligt

Feestdagen zijn niet aan mij besteed. Hoewel ik een zwak heb voor Hemelvaart. Jezus die als een gesandaalde raket uit het zicht ­verdwijnt, is en blijft vierbaar.

Een uitzondering wil ik maken voor 1 april, een feest dat mij na aan het hart ligt. Al hoor je er nooit meer iemand over, en vergeet ik al jaren op rij een poets te bakken, toch is de 1-aprilgrap nauwelijks meer weg te denken uit het Nederlandse landschap!

Vroeger werden ze van staatswege verstrekt, als ik mijn vader mocht geloven, die smakelijke voorbeelden had. Het journaal werkte eraan mee, dan stond de opa van Gerri Eickhof op het strand bij Katwijk aan Zee, waar die ochtend enorme voorwerpen waren aangespoeld, joekels van standbeelden, waarna een expert van het Rijksmuseum voor de ­microfoon kwam die de zaak eens eventjes grondig had onderzocht, en het leken toch echt wel de standbeelden, zei de geleerde, die op het Paaseiland staan, of beter gezegd: stonden, want Gerri’s opa kreeg net een briefje in handen gestopt, heet van de naald dus, waarop stond dat ze er op het Paaseiland precies drie kwijt waren.

Ja, dat vonden we wel mooi, mijn broertjes en ik.

Dan wist mijn vader er nog wel eentje. Hij had een keer een Panorama gekocht waarin een oproep van de redactie zat, een meneer in de drukkerij had zijn trouwring in het smeltbad voor de nietjes laten vallen, en nu vroeg de hoofdredacteur aan iedere lezer te checken of er toevallig een nietje met een duidelijk gouden kleur in zijn Panorama zat, het kon er één zijn, of zelfs twee, en zo ja, dit unieke ­gouden nietje in een ­enveloppe te stoppen en naar de redactie te sturen, zodat ze er misschien weer een trouwring van konden ­terug smelten. Het ­lachende hoofd van mijn vader: ‘Nou, de volgende dag kwamen er tienduizenden nietjes, natuurlijk!’ Hier stak hij zijn wijsvinger op en verstrekte een gouden regel voor een goede 1-aprilgrap: zorg ervoor dat je het resultaat kunt meten.

Ging ik mee aan de slag. Hetzelfde jaar nog, ik denk dat ik 9 was, of 8, wilde ik mijn moeder eens goed voor de gek houden, niks leuker dan dat ­natuurlijk, we hadden al eens speciaal voor haar een vuistgrote rubberen vogelspin gekocht en die met een zuignap op de deur in het trapgat geplakt – dat was schrikken, ontzettend, corona biedt meer overlevingskansen.

Ruim van tevoren had ik aangekondigd dat ik op zondag – zonder erbij te zeggen dat het zondag 1 april betrof, natuurlijk, haha, jaja – met het schoolteam een schaaktoernooi had, diep in Zuid-Limburg. Het begon ook al vroeg, dus we moesten er om 7 uur uit. (Kennelijk was het nog logisch dat mijn moeder ook op zou staan, op haar vrije zondag, en boterhammen voor me smeerde. Want dat was de grap, geloof ik. Dat mijn moeder eruit moest. Maar ik moest er zelf ook uit.)

Daar zaten we, mijn moeder in haar ochtendjas, geeuwend, ik gedoucht en aangekleed.

‘Nou, succes lieverd’, mompelde ze, en weg was ze, terug in bed, deur weer op slot.

Daar stond ik, op straat, voor de grap, zonder schaaktoernooi. Ik weet nog waar ik rondfietste, urenlang werkend aan mijn poets. Halverwege ging het regenen, het was pas begin april, natuurlijk. ‘En’, vroeg ze toen ik verkleumd thuiskwam,‘gewonnen?’

Meer over