Zuurkool bij 34 graden

De dorpen in Namibië zien er net zo uit als op het Zuid-Afrikaanse platteland, met namen als Eindpaal, Mooifontein en Warmbad....

Zijn we eindelijk de grens met Namibië over, na dagen van dommig oponthoud, eindigt de tocht door de prairie bijna in een bloedbad. Bij het dorp Kalkrand, aan het eindeloze asfaltlint van Keetmanshoop naar Windhoek, duiken opeens twee stevige traditionele trekdieren op. Doodgemoedereerd staan ze midden op de weg, uitgerekend in een onoverzichtelijke bocht. Een noodmanoeuvre, een stofwolk - we zijn er langs. In de achteruitkijkspiegel zie ik dat de ezels nog geen stap hebben verzet.

Het oponthoud was in Upington, de hoofdstad van de aangrenzende Zuid-Afrikaanse provincie Noordkaap. Drie dagen moesten we wachten op de koerier, wegens een paspoort dat duizend kilometer verder lag, thuis in Johannesburg.

Parel van de Noordkaap, noemt de gemeente zich, en het moet gezegd: nergens anders in deze uithoek van Zuid-Afrika, op de grens van de Kalahari-woestijn, vind je vier lange straten met winkels, minstens tien benzinestations, een blanke woonwijk vol groen, een zwarte vol stof, plus een rivier. Op die Oranje-rivier kun je in de avondschemering een tochtje maken met Sakkie se Arkie. Wie toch in Upington is, moet het zeker doen: de boot heeft een bar aan boord, en Sakkie speelt op verzoek fijne Afrikaner liederen. Maar drie dagen achtereen, nee.

We waren Namibië in het zuiden binnengekomen, bij Ariamsvlei. Vooral de zuidelijke helft van het land doet nog bijzonder Zuid-Afrikaans aan. Niet het schitterende lege landschap; het zijn de mensen, de huizen, de denkbeelden die herinneren aan de oude, omstreden voogd van dit land.

De dorpen zien er net zo uit als op het Zuid-Afrikaanse platteland. Plaatsjes met namen als Eindpaal, Mooifontein, Coenbult, Warmbad, Vredeshoop. En op veel van de uitgestrekte boerderijen zitten nog steeds boere. De spreektaal in een flink deel van Namibië is nog altijd de boeretaal, het Afrikaans, hoewel de officiële nationale taal Engels is.

Ondanks tien jaar onafhankelijkheid onder leiding van president Sam Nujoma leeft het oude groepsdenken sterk. Namibië heeft een waaier van bevolkingsgroepen, van spierwit tot diep zwart, die elkaar nauwlettend in de gaten houden. Overal sluimeren etnische spanningen.

Luister naar Gwendolien. We komen haar tegen op een warme vrijdagavond in de Palm Groove, een openluchtbar in Windhoek. Haar kijk op de Namibische kleurkwestie is even typerend als verwarrend. 'Tegenwoordig krijgen zwarten overal voorrang', klaagt ze. 'Zelfs kleurlingen worden beter betaald.'

Maar Gwendolien, je ben toch zelf ook een kleurling?

'Nee! Ik ben een Baster, geen kleurling.' Ze is namelijk het kind van een verdwaalde Russische zeeman en een bruine vrouw. 'Basters hebben tweetiende zwart bloed, kleurlingen achttiende.'

Ze wijst naar de dansvloer, waar Namibiërs in allerlei tinten samen dansen op de muziek van de band Reho Rythm. 'Zie je die vrouw daar? Dat is een Baster. En die, dat is een kleurling, dat zie je zo.' Lachend haalt ze haar eigen classificatie meteen weer onderuit: 'Maar je ziet ook wel heel donkere Basters en heel lichte kleurlingen.'

Gwendolien komt uit Rehoboth, een dorp aan de grote weg ten zuiden van Windhoek. Rehoboth geldt als de hoofdstad van de Baster-gemeenschap. Het zijn er zestigduizend, ze spreken allemaal Afrikaans, en hun wortels gaan terug naar de tijd van Jan van Riebeeck, en de relaties die de vroege kolonialen aanknoopten met de inheemse bevolking van de Kaap, de KhoiSan. Vandaar die naam: een groep van negentig families van gemengd bloed ('bastaarden') trok 130 jaar geleden naar Namibië om zich bij de heetwaterbronnen van Rehoboth te settelen. Ze noemden zichzelf de Rehoboth Basters.

Hoe grappig de mengcultuur van Namibië kan zijn, blijkt uit het repertoire van het orkestje in de Palm Groove. Reho Rythm speelt afwisselend kwassa-kwassa, Nama-liedjes en langarm, de boeremuziek die een Afrikaner vorm van stijldansen (langarmdansen) is. De boere-schlager Dit is my vrydag, my vrijdagmiddagplesier is even populair als de soepel swingende bruine Nama en zwarte kwassa.

Langs de B1, de lange weg die Namibië van zuid naar noord verbindt, van Keetmanshoop via de hoofdstad Windhoek tot Tsumeb bij het Etosha-wildpark, kom je ze allemaal tegen, de volken van Namibië. Volkjes, kun je beter zeggen, want dit is met 1,7 miljoen inwoners een van de dunstbevolkte landen ter wereld: er wonen nog geen twee mensen per vierkante kilometer.

De blanken, 75 duizend in getal, vooral van Afrikaner en Duitse oorsprong, vormen nog steeds een economische toplaag. Maar de meeste Namibiërs wonen in het noorden van het land. Het zijn de Ovambo die, verdeeld over acht stammen, iets meer dan de helft van de bevolking vormen. Nujoma is een Ovambo.

In het midden en zuiden van Namibië zie je veel afstammelingen van de Khoi en de San, de lichter gekleurde Namibiërs die in de volksmond nog vaak Bushmen - bosjesmannen - heten. De KhoiSan, met hun taal vol klikklanken, kennen nog twee grote groepen, de Damara en de Nama, van wie de laatsten als de echte afstammelingen van de Khoi worden beschouwd.

We slaan bij Keetmanshoop linksaf een onverharde weg in, naar de canyon van de Visrivier, een majestueuze kloof, na de Grand Canyon de grootste ter wereld. Wie van een flinke wandeling houdt, kan via een pad naar beneden, waar je in de rivier kunt afkoelen voordat de zware klimpartij naar boven weer begint.

In de buurt kun je overnachten in de luxe Visrivier Lodge of op het kampeerterrein van Hobas. De lodge, met woestijnterras en aparte huisjes in het zand, ligt als een oase tussen indrukwekkende rotsformaties. De stilte en het uitzicht zijn asemrowend. De lodge zelf is een boerenhoeve uit 1910, die met steun van de Europese Unie is omgebouwd om via kleinschalig toerisme werk te bieden aan de lokale KhoiSan.

Ten noorden van de Visrivier begint de Namib, de oudste woestijn ter wereld, die via een stelsel van onverharde wegen te verkennen is. Het is een dorado voor fourwheeldrives, die compleet met kampeeruitrusting - en koelkastje - in de hoofdstad Windhoek gehuurd kunnen worden.

Windhoek is nog steeds een erg Duitse stad. Namibië was van 1894 tot 1920 een Duitse kolonie, en het toenmalige keizerrijk heeft in die relatief korte tijd een duidelijk stempel op Südwest Afrika gezet.

Nog steeds is een aanzienlijk deel van de blanke Namibiërs van Duitse oorsprong. En dat heeft tot gevolg dat je in Windhoek kunt Frühschoppen bij het Bierhaus - met een kans om Das Südwester Lied te horen: Hart wie das Kameldorn Holtz sind unsere Köpfe / und keiner kann sie kaput schlagen / die Hirne sind schon längst van der Sonne verbrannt / und Verstand gebacken wie harte Eier.

Wie een tüchtige schnitzel of oesters uit de kustplaats Lüderitz wil nuttigen, kan neerstrijken op de fraaie koloniale veranda van Gathemann's restaurant aan de voormalige Kaiserstrasse, die sinds 1990 Independence Avenue heet. Zoals de Leutweinstraat na de onafhankelijkheid is omgedoopt in Robert Mugabestraat.

De hele sfeer van de hoofdstad heeft iets Germaans, van de Beiers aandoende nieuwbouw van het winkelcentrum tot de riante Autobahn die langs het stadshart voert. Zelfs de zwarte township Katutura, aan de noordrand van Windhoek, ziet er Duits opgeruimd uit.

De weg naar het noorden - glad asfalt, Namibië heeft het beste wegennet van Afrika - voert langs een nieuwe trend. Uitbaters van Namibische toeristenoorden hebben de ontstressingsmarkt ontdekt, getuige de Okonguarri Wilderness Lodge. In deze buitenplaats bij Otjiwarongo, een stoffig cowboy-dorp, kan de drukke wereldburger onthaasten in een 'van natuurlijke materialen opgetrokken' chaletje tussen de rotsen weer tot zichzelf komen, zo werft de lodge-eigenaar. Je kunt er niet alleen wandelen, fietsen, paardrijden of naar vogels kijken, er is ook een zaaltje voor groepswerk, psychotherapie voor problemen met huwelijk, alcohol, drugs, familie of gewoon met jezelf.

Otjiwarongo heeft nog meer bijzonders. Het lijkt bijna een luchtspiegeling, dat vreemde bord langs de weg. Kasselerrib - Kartoffeln - Sauerkraut lokt Carstensens Bäckerei de hongerige reiziger. Opeens ligt daar in een uithoek van Afrika een uitspanning die zo uit het Thüringerwoud lijkt weggelopen.

Buiten is het 34 graden, binnen in de Bäckerei zit de vaste cliëntele achter malse kasselerrib en zuurkool. Die is een beetje droog, maar een kniesoor die daar op let. Aan de meeste tafeltjes wordt de dagschotel met smaak genuttigd, door zowel gezette witte mannen met jagershoedjes als zwarte handelsreizigers. Van achter de toonbank kijken de gezusters Carstensen, twee kloeke Duitse dames, tevreden toe. Afrekenen kan meertalig: Danke schön. Thank You. Dankie.

Na een stevige maaltijd bij Bäckerei Carstensen is het niet ver meer naar het Etosha-reservaat. Voor wildliefhebbers is Etosha van oudsher het hoogtepunt van een bezoek aan Namibië. Het park ligt in de zoutvlakte van Etosha ('de grote witte plaats' in het Ovambo) die, ruim 4700 vierkante kilometer groot, eenvijfde deel van het reservaat beslaat. Langs de zuidrand van de vlakte zijn onverharde wegen aangelegd, die allemaal met een gewone auto goed begaanbaar zijn.

Volgens de kenners is Etosha een van de mooiste natuurreservaten van de wereld. Wie mag kiezen tussen het Zuid-Afrikaanse Krugerpark en Etosha kan beter naar de laatste gaan: het uitzicht over de oneindige zoutvlakte is betoverend en langs de autopaden zijn vele drinkplaatsen waar wild te bezichtigen valt. Wil het in de bush van het Krugerpark nogal eens tegenvallen met de beesten, in Etosha is het een drukte van belang: olifanten, giraffen, zebra's en een rijke sortering bokken. En met wat geluk zie je ook nog een paar leeuwen, hyena's en jakhalzen rondscharrelen.

Maar zelfs in dit reusachtige park in een van de leegste stukken Afrika staan bij de meest populaire drinkplaatsen de toeristen in een kleine file, wanneer het een drukke dag is. Jaarlijks trekt het park - toeristische attractie nummer één van Namibië - ruim 140 duizend bezoekers, en het wild is onmiskenbaar gewend geraakt aan de toevloed. Springbokken en zebra's steken tussen het langzaam langsrijdende verkeer rustig de weg over.

Een soortgelijk, enigszins ontluisterend schouwspel doet zich 's avonds voor bij de drinkplaats van Okaukuejo. Dit waterhole ligt aan de rand van een van de drie staatskampen in het park. De toeristenaccommodatie, met huisjes, restaurant, zwembad, winkel en kampeerterrein, ligt binnen het hek. Buiten lopen de beesten, die wanneer de avond valt naar de drinkplaats trekken. Ze worden vanachter het hek gadegeslagen door rijen toeristen, gezeten op bankjes, bijgestaan door felle lampen die op de poel staan gericht. Op de achtergrond rinkelen de glazen, ergens dichtbij kringelt een barbecuelucht op; braaiende Zuid-Afrikanen hebben een van de huisjes bij het hek bezet. De neushoorn die in het licht van de schijnwerpers langs het water sjokt, trekt zich er al lang niets meer van aan.

Het Centerparks-gevoel van het toeristenkamp bij de drinkplaats kan overigens worden ontlopen. Het Etoshapark biedt ook overnachting in het witte woestijnfort van Namutoni. Dit fort, met zijn middeleeuws ogende kantelen en boomrijke binnenplaats, werd door de Duitsers in 1902 gebouwd, en al in 1904 weer verwoest door een aanval van Ovambo-krijgers. Onder leiding van luitenant Adolph Fischer, de man die later de eerste wildopzichter van het park werd, werd het vervolgens weer opgebouwd.

Op de terugweg besluiten we Upington maar te mijden. Bij Windhoek linksaf, de Trans Kalahari Highway op, door de verlatenheid van het binnenland van Botswana, kom je uiteindelijk ook in Johannesburg. Nog nooit zoveel ezels op de weg gezien als in Botswana. Maar we zijn er nu aan gewend.

Meer over