Staal, verf, spijkers en een lieve groene deur

'Als het bereiken van dromen thuis mogelijk was, kwam de zon nooit in beweging.' Het huis verlaten en weggaan, past goed bij de Perzische mens, aldus Kader Abdolah....

door Kader Abdolah

VORIGE week ging ik naar Hamburg om over de tentoonstelling Das Haus in der Kunst te schrijven.

Ik had geen idee waar die tentoonstelling over ging.

Vaak word ik geconfronteerd met de volgende vragen: 'Mis je je thuis? Wil je ooit terug naar huis?'

Degene die die vraag stelt, verwacht misschien dat ik meteen zal zeggen: 'Ik mis mijn thuis ontzettend en zodra het mogelijk is, wil ik terug.' Maar het juiste antwoord durfde ik zelfs niet aan mezelf te geven.

Maar nu ik in de trein zat, wist ik het: ik mis het huis, ons huis, of thuis niet.

De afgelopen tien jaar heb ik niets anders gedaan dan wat ik ontzettend miste hier naar Nederland te brengen. Daarom miste ik mijn thuis niet zo. Alle meubels, tapijten, ketels, vorken en lepels, zelfs grootmoeders rode theepot en haar spiegeltjes, en alle spijkers in de muren, de bomen, de appels, de slangen, de rivier, de mannen en vrouwen uit onze straat, alles heb ik meegenomen en een plek gegeven in mijn verhalen.

Nee, ik hoefde niet terug te gaan. Het huis verlaten, alles achter laten en weggaan past goed bij de Perzische mens. Onze oude literatuur is verrijkt door de pen van hen die gingen. Eeuwen geleden zei Togari: 'Als het bereiken van dromen thuis mogelijk was, kwam de zon nooit in beweging.' Ook zei hij: 'De wet van de lopende wateren is niet te vergelijken met die van de stille wateren.'

Tien eeuwen geleden zocht Nasser Gosro, de dichter, naar iets, maar wat? Hij wist het niet, maar hij wist dat het thuis niet te vinden was. Hij moest het gordijn opzij schuiven en weggaan. En hij ging.

Jaren later toen hij terug kwam, was hij veranderd. Hij had gevonden wat hij zocht.

In Perzische literatuur, geloof en traditie kennen we één huis, het huis der huizen, alle Perzische ramen gaan in die richting open, naar Mekka, naar de Kaaba, een eenvoudig kunstwerk, een huis, Das HAUS dat de god van de kunst heeft geïnspireerd.

Ooit viel er een zwarte magische meteoriet op aarde, op de grond van Mekka, pal naast de Kaaba. Mohammed, de profeet zei: 'God heeft die zwarte steen vanuit zijn huis in de hemel naar beneden gegooid, om het in zijn huis op aarde te gebruiken.'

De steen werd Alaswad genoemd en Mohammed gaf hem een plek in de muur van de Kaaba. Dat huis waart als een geest door de oude Perzische literatuur: Sjeeg Saanan, de leider van de wereld van de islam gaat met honderden aanhangers te voet naar Mekka. Ze zijn ongeveer een jaar onderweg, maar op een bazaar ziet hij een jonge christelijke vrouw. Hij wordt zo verliefd, dat hij die stad niet meer verlaten kan. Zijn aanhangers gaan huilend zonder hem verder. De Sjeeg blijft. De wereld van de islam schrikt. Hij is gevallen. Hij laat het huis van God voor wat het is en kiest voor Das Haus der Liebe.

De trein reed het station van Hamburg binnen. Ik ging de tentoonstelling bezichtigen.

Hamburg. Prachtig weer, Duitsers met zonnebrillen. Ik ging meteen naar de Deichtorhallen waar de expositie werd gehouden, benieuwd naar wat ik te zien zou krijgen. Voor de Deichtorhallen hing een enorme poster van een glazen tuinhuisje waardoorheen je de bomen zag en de weerspiegeling van het silhouet van een kerk in de verte.

Meteen bij de entree stond al een grote windmolen die een huis bleek te zijn, met kleine groene raampjes en een lieve groene deur, met daarboven de wieken. Zodra de wit-groene wieken in beweging kwamen, gaven ze het huis een geest. Het leek op een huis van een vogel, een nest. Als je omhoog keek, leek het alsof je tussen de wolken zat, de wieken vormen de vleugels. Ik dacht: dat zal wel van een Hollander zijn, maar nee, het bleek van Andreas Slominski; uit Hamburg.

Verderop zag ik een lange muur van, hoe moet ik het zeggen, aan elkaar gespijkerde paletten, ik vond het niets. Er stonden nog een paar maquettes, een huis van staal, glas en kunstmateriaal, ook daar kon ik niets mee.

Aan de muren hingen tientallen zwartwitfoto's van oude huizen. Wat was dit? En in de andere zalen waren er nog veel meer houten maquettes, die me niets zeiden.

En verder? Open ruimtes zonder bezoekers. Ik was de enige. Ineens kwamen er vijf meisjes tegelijk binnen. Maar dat bleken tijdelijke medewerkers van de expositie te zijn.

Ik voelde angst, dacht: 'Dit wordt niets, ik kan niets voor de krant schrijven.'

Koude, kille maquettes. Andrea Zittel, uit New York, had een grote caravan neergezet. De titel: Campingtrailer 305 x 757 x 257cm. De oude caravan van mijn buurman kon hier best een plek krijgen, dacht ik.

Een leuk project redde me. Stephen Craig had in een van die grote houten maquettes een projector geplaatst en op één kleine muur van de maquette werd een stomme film gedraaid.

Eerst dacht ik dat het een film van Charlie Chaplin was, maar dat bleek niet zo te zijn. Een jong echtpaar ging trouwen, ze zoenden even en daarna bracht de bruidegom de bruid naar huis, maar er was geen huis want dat moest nog gebouwd worden. Ze trokken hun trouwkleren uit en gingen aan de slag. Je moest er om lachen. Ze maakten een klein, hartelijk huis. De bruidegom tekende twee grote harten op de muur van het huis met een pijl erdoor die de harten met elkaar verbond. Maar opeens kwamen ze erachter dat ze het huis op een verkeerde lat hebben gebouwd. Plotseling raasde er een trein voorbij die de woning plat reed. Weg huis. De man hield zijn vrouw bij de hand en ze gingen weg.

In zaal drie werden er dia's vertoond. Honderden dia's over huizen. Ik miste mensen en de geur van eten in de huizen. Een opa, een oma, een appelboom, niets. Ik zag alleen maar materialen, hout, ijzer, staal, glas, foto's en dia's.

Verderop stond een huisje van een visser. Een heel eenvoudig tuinhuisje waar een leeg bed in stond, een hengel, een net, een paar schoenen en er hing een vissersjas aan de muur. Het vissershuisje stond op vier Heinekenkratten. O, leuk een huis uit Nederland.

Ik zocht naar een getuige om er zeker van te zijn dat ik me niet vergiste, maar er was nog niemand. Ik bladerde in het gastenboek op zoek naar de mening van een ander: 'Hi, my name is Adam, I'm from America. The Lord has brought me to Germany. God is great. And God can help all who read this.' Ja, ook Adam moest ooit zijn huis, het paradijs, verlaten. Opeens zag ik een man van, tegen de vijftig, een bezoeker.

'May I ask you a question?'

'Sure.'

'What do you think of...'

'Boring.'

Ik liep naar een vrouw die de expositie verliet: 'May I ask you something?' Haar mening: 'Nothing, I know about all these things. You can see all these things if you drive in your car. I see them every day, everywhere.'

Ik ging naar het hotel.

's Nachts dacht ik dat het allemaal misschien niet zo simpel was als het leek. Ik bedacht dat het oosterse thema 'het huis verlaten' in alle onderdelen van de expositie te vinden was. Die caravan, bijvoorbeeld, of bij die windmolen - daar kreeg je het gevoel om je over te geven aan de wind en weg te gaan. Het huis van de Hollandse visser, alles duidde erop dat de visser weg was en de ingelijste zwart-witte foto's waren niets anders dan lege huizen. Zelfs in het gastenboek had die Amerikaan Adam zijn huis verlaten. Morgen ga ik alles opnieuw bekijken, dacht ik. Er moet iets te vinden zijn.

Die ochtends liep ik eerst naar het huis van Gordon Matta-Clark uit Berlijn, een lage, lelijke, nietszeggende muur van hout. Ik bleef er lang naar kijken, luisteren, vragen stellen. Opeens vond ik wat ik zocht. Het was een herinnering aan een huis. Ik zag een half afgezaagd raam in de muur, de bovenkant van het kozijn. Een stuk van een oud bed, een deel van een versleten piano, een paar treden van een trap en al die oude spijkers die ooit in het huis gebruikt waren. De kunstenaar, Gordon Matta-Clark, had al die onderdelen van zijn ouderlijk huis, dat gesloopt was, weggezaagd en daar had hij een ander huis van gemaakt. Het was geen muur maar een verhaal, een roman, een grote verhuizing. Een poging om zijn ouderlijk huis te bewaren.

Ik kreeg hoop, ging naar een van de zalen, die me gisteren niets zeiden. Het stond vol met kleine huizen, tientallen kleine, kleurige Hollandse huizen. Mooie, kinderlijke huizen die niet verder dan je knie kwamen. Ineens voelde ik me als Gulliver in het land van de dwergen. O, wat mooi. Ik liep er voorzichtig langs, boog voorover en keek door de schoorstenen naar binnen.

Nu keek ik anders tegen die maquettes aan. Ik vond iets heel interessants in het houten Collector's Complex van Thomas Schütte uit Eindhoven. Naast het saaie complex zag ik een hoge torenflat, die eerst niet te zien was. Het was een kist met vier sloten, die de functie van een torenflat vervulde. Een kist? Het was zelfs een doodskist. Toen ik opnieuw naar de torenkist keek, zag ik dat het hele complex van kleine kistjes was gemaakt. Is een huis een kist? Waarin we wonen, lachen, slapen en vrijen, waarin we oud worden en waarin we uit ons huis worden gedragen?

Er hing ook een mega-foto van een gigantische flat uit Parijs: Montparnasse, van Andreas Gursky. Als je gewoon langs zo'n flat zou lopen, zou je het niet zien, zo wel. Honderden kleine vierkante ruimtes waarin mensen wonen. Het leek op een bijenkorf met de mensen als bijen. Schitterend.

Gisteren zag ik alleen cement, hout, duizenden kabels, staal, verf, spijkers en veiligheidshelmen, nu voelde ik de geest van de kunst in de huizen. Ik wilde nog meer zien, nog iets ontdekken. Gewoon de tijd nemen, kijken, opnieuw kijken, zoeken, nadenken, weglopen en weer terugkomen. Die dia's vond ik gisteren verschrikkelijk, maar vandaag keek ik er anders tegen aan. Negen diaprojectors vertoonden onophoudelijk foto's van huizen: zonnige huizen, donkere huizen, oude huizen, nieuwe huizen, huizen met en zonder garage, rijtjeshuizen, huizen op de markt...

Het huis van de kunstenaar Rachel Whiteread was merkwaardig. Haar project greep me aan. Op een videoband zag je hoe zij de ziel uit het huis haalde en hoe hij dat huis tot in de kleinste detail sloopte en van de aarde gumde. Wonderlijk.

Rachel had voor een oud huis gekozen dat gesloopt moest worden. Zij ging met een paar anderen het huis binnen en ze begonnen alle spullen van het huis een voor een voorzichtig naar buiten te halen. De meubels, de tafel, de gordijnen, de pannen, de lakens, de bedden enz. Daarna haalden ze de spijkers uit de muren, trokken het behang zachtjes weg en maakten alle elektriciteitsdraden los. Ze lapten de ramen en stoften alle hoeken van het huis af.

Toen het helemaal leeg was, propten ze het vol met betonijzer en vervolgens sleepten ze grote slangen door het raam mee naar binnen. En de betonmolen die buiten stond begon het hele huis met cement te vullen. Het huis werd tot aan haar keel met cement gevuld. Drie weken later toen het cement droog was, sloopten ze het oude huis. Wat er van overbleef, was een huis van beton. In plaats van de ziel van het huis was er nu een spook van beton. Een maand later werd het huis opgeruimd. Het verdween. Daarna groeide er gras en de wind speelde er mee. Weg thuis.

Meer over