Schaatser die historische grenzen doorbrak

Geboren: 16 september 1944 in Anna Paulowna...

HOOFDSCHUDDEND moet vader Klaas Schenk aan het begin van de jaren zestig langs de bevroren vaarten hebben gestaan wanneer zoon Ard schaatsend voorbij kwam. Als trainer had Schenk senior - hij was op dat moment coach van de mannenkernploeg - zijn bedenkingen; de techniek haperde, maar tegelijkertijd frappeerde hem de snelheid die het atletische lijf op de smalle ijzers ontwikkelde.

In ruim tien jaar groeide Ard Schenk uit tot 's werelds beste schaatsenrijder van dat moment. Vlak nadat hij bij de Olympische Spelen in Sapporo (1972) driemaal goud had veroverd - 1500, 5000 en 10.000 meter - mondde het toernooi om de wereldtitel - in Oslo - uit in indrukwekkend machtsvertoon. Met de uitstraling van een groot kampioen won hij alle afstanden.

Ard Schenk was uniek, als atleet en als sportman. Hij beschikte over het talent uit te blinken, maar bezat ook de helderheid van geest zich niet te laten meeslepen in de euforie die hij zelf opriep. Nuchter is hij genoemd, naar de aard van de streek waar hij opgroeide. Stug ook. Maar Schenk was vooral wijs, én bovendien sterk genoeg om overeind te blijven in de megalomane wereld die hem op een voetstuk plaatste.

De drang tot relativeren maakte hem bijzonder. Hij was kritisch en verhelderend. En hoewel hij na zijn schaatsloopbaan de deur naar het bobo-dom lang in het slot hield, was het uiteindelijk geen verrassing dat de scherpzinnige kampioen van weleer terugkeerde in de rol waartegen hij zich zo lang had afgezet. Uit zijn visie sprak gevoel voor de sporter, zijn optreden in de wereld van de grijze blazers was een verademing.

Schenk groeide op in de kop van Noord-Holland. De passie van vader en moeder Schenk voor de schaatssport sloeg over op zoon Ard. Na de komst van de eerste kunstijsbaan in Amsterdam ontwikkelde hij zich zo snel dat hij een jaar later al tot de nationale selectie doordrong en zelfs een startbewijs - 1500 meter - voor de Olympische Spelen in Innsbruck afdwong, waar hij dertiende werd.

In het dorp hadden ze hem leren kennen als een gemakkelijke, vrolijke en flexibele vent. Snel geïmponeerd was hij niet en in de sport hoedde hij zich voor uitbundigheid. Zijn emoties gingen schuil achter een stuurs uiterlijk, hij trok zijn eigen plan en koos naar buiten toe een sobere, afstandelijke houding. 'Voor Ard', heeft vader Schenk wel eens gezegd 'is alles heel normaal, heel gewoon.'

Ard Schenk ging dwars tegen de stroom van bewondering in en koesterde de momenten van eenzaamheid die hij vooral in Amsterdam vond. Sportieve bijval kreeg hij van Anton Huiskes, later van Leen Pfrommer en niet te vergeten van zijn rivaal Kees Verkerk, over wie hij na zijn afscheid zei dat het de enige vriend is die hij aan het schaatsen heeft overgehouden.

Huiskes was zijn eerste coach en Schenk bewonderde hem vanwege zijn inzet, aanpak en levenshouding. Huiskes kon Schenk inspireren. Dat miste hij bij Wim de Graaff, de bondscoach met wie hij botste. Leen Pfrommer weekte hem los van Verkerk, wiens tactische spelletjes vaak in het nadeel van Schenk uitvielen. Bovendien leerde Pfrommer hem de 10 kilometer te schaatsen door de pijn van deze kwellende afstand te verdringen.

Onverstoorbaarheid was lang het handelsmerk van de krachtige schaatsenrijder. Hij was de man die historische grenzen doorbrak. Zeventien keer verbeterde hij het wereldrecord. Op de 1500 meter finishte hij als eerste binnen de twee minuten, de 10.000 meter voltooide hij als eerste in minder dan 15 minuten.

Zijn eerste olympische medaille - zilver, 1500 meter - behaalde hij in 1968. Zijn grote doorbraak volgde in de jaren erna, toen hij sport combineerde met een studie fysiotherapie. In die periode viel ook het masker van de nukkige, stuurse kampioen.

De razend populaire Schenk werd toegankelijker en accepteerde de prijs van de publieksrol. Tegen Fred Racké, met wie hij na zijn carrière het tv-commentaar bij grote toernooien verzorgde, zei hij daarover: 'Ik schaatste voor mezelf, ik hou niet zo van dat Volk-en-Vaderland-gevoel en ik vond het vreemd overal maar te moeten opdraven. Later ben ik dat normaal gaan vinden: waarom dwarsliggen en daardoor anderen in verlegenheid brengen?'

Met zijn gezag en het respect dat hij met zijn prestaties afdwong, heeft Schenk een grote rol gespeeld in de vercommercialisering van de schaatssport. Hij provoceerde in reclames, in Nederland en Noorwegen, en dreigde even de Spelen in Sapporo te kunnen vergeten. Door onwetendheid voor te wenden redde hij zijn olympische start.

In werkelijkheid was Ard Schenk de luis in de pels van de olympische beweging, die met onvoorstelbare starheid de amateurregels beschermde. De weelde achter de schermen irriteerde de schaatsreus. Hij zag hoe links en rechts grof geld werd verdiend aan zijn sportieve optreden, terwijl hij zelf maar een paar centen kon opstrijken door zich te conformeren aan de olympische leugen.

Zijn afkeer van de hypocriete gang van zaken aan de top groeide naarmate zijn sportieve aanzien toenam. Na zijn goldrush in Sapporo maakte hij kans op een hoofdrol in Amerikaanse ijshockey- en ijsshows, maar hij weigerde, omdat hij geen speelbal van de commercie wilde zijn.

Zijn vrijheid was hem lief, maar toen hij in de roes van zijn olympische succes de kans kreeg zich met dertien andere schaatsenrijders te verenigen in een Amerikaans profavontuur (International Speed Skating League, ISSL) hapte hij toe.

Het werd de anticlimax van een grootse sportcarrière. Publiek en sponsors toonden weinig interesse voor sporters die hun beste tijd hadden gehad. 'Dat ik plotseling voor rotte vis werd uitgemaakt omdat ik als achtste van de acht deelnemers eindigde, heeft me aan het denken gezet.'

In zijn pogingen geruisloos af te zwaaien, onderschatte Schenk zijn aantrekkingskracht. 'Ik dacht: nu zal het wel afgelopen zijn met die persoonsverheerlijking, maar het pakte anders uit.' Uiteindelijk was de botte bijl het enige dat hielp: geen praatjes meer voor de ijsclub, geen interviews, geen Mies Bouwman en geen lucratieve aanbiedingen. 'Langzamerhand werd het rustiger en kon ik weer normale dingen doen.'

Aan het eind van de jaren tachtig keerde hij terug in het circuit. Eerst als pleitbezorger van nooddruftige sporters, later verzekerde hij zich van het maatpak van de bestuurder. Hij wist hoe hij zou worden beoordeeld en vertelde over zijn aarzelingen. 'Ik realiseerde me dat alles wat ik de rug had toegekeerd, zou terugkomen. Maar een raar soort heimwee stak de kop op, ik vond het prettig in de sport terug te keren.'

Maar de onvermijdelijke bobo's, die hij eerder het graf had ingeprezen, kwamen onmiddellijk weer op zijn weg. 'Ik zag ze weer zitten, de mensen die nergens een reet verstand van hebben en die je snurkend op de tribunes aantreft.'

In 1990 werd hij aangezocht om de Nederlandse ploeg naar de Spelen van 1992 (Albertville) te leiden. Hij voelde zich gestreeld, maar voegde er meteen aan toe 'het niet als een erebaantje' te beschouwen. 'Als straks een staatssecretaris of minister overkomt, dan zal ik niet vooraan staan om die te begroeten.'

Drie keer trad hij op als chef de mission, al die keren was hij vooral het symbool van strijdbaarheid en gedrevenheid. Het belang van de sport en de sporter stond voorop, het charisma van de kampioen verliet hem ook als bestuurder niet.

Meer over