Operatie paardenkluwen

Met de paarden van ‘Rittführer’ Piet zit het wel snor. Maar er gaan ook ménsen mee op trektocht door de Eifel, dat zou je haast vergeten....

Raar is dat. Alle zes de paarden lopen gewoon over het midden van de weg. Alleen Fuzzy niet. De kleine schimmel waar ik op rijd, balanceert bij voorkeur precies op de rand van de Rotweinwanderweg. Direct daarnaast begint het Ahrdal, met een duizelingwekkend steile helling vol druivenranken waaraan de streek zijn wijnen dankt. Beneden in de diepte, bij het stadje Altenahr, glinstert de Ahr met een diepzwarte strook asfalt erlangs. Fuzzy steekt zijn neus tussen de druiven en wappert waakzaam met zijn zachte witte paardenoren.

‘Fuz, doe niet zo eng’, zeg ik.

‘Dat is zijn instinct’, zegt onze gids en Rittführer Peter (Piet) Rott op Boy, een solide Gelderlander. ‘Paarden zijn vluchtdieren. Zo kan hij zien of er een roofdier over de helling komt. Wees maar niet bang. Hij zet echt geen voet verkeerd.’ De meeste ongelukken komen niet door de paarden maar door de ruiters. Je kunt veilig langs de diepste ravijnen, als je je paard maar ruimte geeft zodat hij kan uitwijken als het nodig is. ‘Afstand houden’, roept Piet steeds tegen ons als het krap wordt.

Voor me uit kuieren de vijf mannen van de ruitervereniging uit Brühl. Over enge randjes en paardeninstinct maken ze zich niet al te druk. Ze gaan gewoon recht vooruit. Zo doen ze dat al 35 jaar, elk jaar een trektocht, altijd met dezelfde vriendenclub en altijd in de periode eind mei, begin juni.

‘Ehh, je komt bij een wat a-typische groep terecht’, had Piet twee dagen eerder gezegd bij mijn aankomst voor de Rotweinwandertrail, een van de paardentrektochten die hij sinds tien jaar in de Eifel organiseert en leidt. ‘Bij de meeste groepen zijn er meer vrouwen dan mannen, maar dit zijn alleen maar mannen.’

Ik ben dan al vroeg in de middag op zijn boerderij in Büchel, start- en eindpunt van de reis. De mannen laten nog op zich wachten. Piet loopt naar de wei die aan zijn huis grenst. ‘Laten we maar naar de kudde gaan, kun je alvast een paard uitzoeken. Dat is je voordeel als je de enige dame bent.’

De wei is een glooiend terrein omzoomd door bomen. De paarden staan verspreid over het middenstuk. Niets zo vredig als grazende paarden in de zon. Piet rijdt deze tocht op Boy, die onder een boom staat en zich goedmoedig uit zijn middagslaap laat halen. ‘Boy is de baas van de kudde. Voor mensen is hij heel lief, bij de paarden heeft hij stevig de wind eronder.’

Er staat een drietal vossen – lichtbruine paarden met dezelfde kleur manen en staart als hun vacht – die Piet snel achter elkaar aanwijst: Sonny, Rimrock (Rimmy) en John. Ik houd ze vooralsnog niet uit elkaar. Verderop staan een bont en een diepdonkerbruin paard vlak bij elkaar: Kid en Aragon.

‘Wie had jij voor mij gedacht?’, vraag ik. Piet wijst naar een klein wit paard dat wat afgezonderd van de kudde aan het gras knabbelt. ‘Waarschijnlijk pas jij het best op Fuzzy. Hij is superbraaf – ach, eigenlijk zijn al mijn paarden hartstikke braaf. Kijk maar even.’

Hij laat me alleen met de kudde en ik loop langzaam naar Fuzzy, die gereserveerd blijft grazen. Sundance Kid, het bonte paard, komt enthousiast naar me toe, snuffelt, blaast en kauwt aan m’n haar. Aragon heeft naast de vrolijkheid van Kid iets melancholisch. Hij legt zijn neus in mijn handen en blijft lang zo staan. Terwijl ik besluiteloos de wei uitga, kom ik weer langs Fuzzy die me nu aandachtig bekijkt. Zijn blik zegt genoeg. Wij horen bij elkaar, deze vijf dagen.

De komst van de mannen is iets wat zeker niet onopgemerkt blijft. Luidruchtig tuimelen ze uit een bus die is volgeplakt met reclame van de plaatselijke middenstand te Weilerswist. Met baritonale timbres geven ze namen ten beste als Fritz, Karl, Walter, Werner, Hans-Peter, Achim en Gregor. Nee, koffie hoeven ze niet. Een kleine storm rommelt over het erf en even later stapt Achim opgetogen uit de schuur: ‘Jongens, weten jullie wat hier staat? Een prachtige koelkast vol met koud bier!’ Er gaan nog drie biertjes de man doorheen voor we vertrekken voor onze eerste – korte – etappe naar Hohenleimbach.

Op een paardentrektocht, ik had het kunnen weten, gaan dus niet alleen paarden mee. Op die paarden zitten ook mensen. Met de paarden van Piet zit het wel goed. De twee Haflingermerries die hij had, heeft Piet ingeruild voor Fuzzy, zodat hij nu alleen nog maar met ruinen – gecastreerde hengsten – op stap gaat. Meisjes en jongens bij elkaar, zegt hij, dat geeft alleen maar herrie. De paarden zijn nu aan elkaar gewend, de rangorde is duidelijk en die hoeft dus niet meer onderweg te worden uitgevochten.

De verdeling tussen mannen en paarden verloopt tamelijk laconiek. Hans-Peter is de lichtste, dus gaat hij op Kid, die ook niet zo groot is. Verder is het een man een man, een paard een paard. Met wat aanwijzingen over de westernstijl van optuigen, zadelen ze de paarden, nemen ze nog een ‘startschot’ met een borrelglas Maikäferflugbenzin (Lieveheersbeestjeskerosine) en rijden vrolijk weg.

‘Wij zijn Wanderreiter’, stelde Piet me eerder gerust, want ik zag opeens visioenen van weilanden met hekken en prikkeldraad waar we overheen moeten springen. ‘Er wordt niet gesprongen.’ Wat Wanderreiten wél inhoudt, ontvouwt zich in de loop van de tocht als een compleet concept voor de levensgenieter. Goed, je moet kunnen paardrijden, niet bang zijn voor een flinke galop over het veld of een steile afdaling door het bos, en genoeg zitvlees hebben voor een uur of vijf, zes per dag in het zadel. Maar dat is voor de mannen geen enkel punt.

‘Ach, het gaat ons niet meer alleen om het paardrijden. Dat kennen we nou wel’, zeggen ze. Ze hebben tochten gemaakt in Andalusië, Toscane, Hongarije, Oostenrijk en héél veel in Duitsland. Een weekje jongens onder elkaar, de vrouwen thuis en gewoon lekker beesten en keten, daar komen ze voor. ‘Normaal is het bij mij jasje-dasje’, zegt Gregor die een groot bedrijf voor opslagtanks en containers heeft. ‘Nu wil ik me ontspannen, lekker buiten zijn, rustig rijden en genieten met mijn vrienden.’

En o wonder, in de Eifel groeit het bier aan de bomen en stroomt de wijn door de beken. Als we uit het bos bij een open plek met koeien aankomen, blijken Walter en Werner – die niet te paard meerijden, maar met de bus – een fantastische picknick te hebben aangericht met veel koud bier. Als we langs een gesloten Gasthof rijden, staan ze daar met de bus en met koud bier. Wanneer we na een lange stop op het terras van de wijncoöperatie in Walporzheim over de schilderachtige Weinweg de steile helling naar onze nachtelijk onderkomen op rijden, verrassen Walter en Werner ons bij het passeren van het deftige Hohenzollernhotel met een versgetapte pils. De hotelgasten zijn iets minder aangenaam verrast; ze durven niet langs de paarden, de kellner sluipt er ongemakkelijk omheen en Fuzzy legt een grote hoop voor de ingang. Bovenop de berg wacht ons het restaurant van Weingut Försterhof met een vakantiehuis in avant-gardistisch/organische stijlmix à la Gaudi en Hundertwasser. En inderdaad, met koud bier.

Drinken en rijden gaan niet samen, heb ik keurig geleerd, maar Piet is er luchtig over. ‘Zolang de paarden maar nuchter blijven, is er niets aan de hand’, roept hij. ‘En zolang ze goed met mijn paarden omgaan en ze niet afjakkeren’, voegt hij eraan toe. Wanderreiter jakkeren niet. Ze wandern en stoppen waar het goed toeven is. Daarbij hebben Wanderreiter niet alleen een schnappsfles voor onderweg, ze hebben ook kilo’s gespreksstof. Tot Piet genoeg krijgt van al dat gekwek en zijn vingers opsteekt ten teken dat we van gang veranderen. Twee vingers is draf, drie galop. Daarna is het uiteraard weer tijd voor een slokje.

Niet alleen de paarden hebben hun onderlinge verhoudingen bepaald, ook de mannen vormen een hechte groep waar alles volgens vaste rituelen verloopt – wat enorme voordelen heeft. Na 35 jaar hoeven ze niks meer voor elkaar te bewijzen, ze weten waarvoor ze komen en wat ze willen. Vaste regel in de groep: er wordt niet gezeurd. Ook Piet heeft zich er bij neergelegd dat zijn rol voornamelijk die van gids is. ‘Die hoef ik niets meer te vertellen, na de eerste draf of galop hier in het bos weten ze precies wat ze aan mijn paarden hebben.’

Zo rijden we ontspannen door bos, door veld en door de stadjes waar de paarden met hun kletterende hoefijzers op het asfalt respect afdwingen en de mensen ons nakijken. Te ontspannen misschien.

Op de vierde dag verdwijnt de zon, die ons steeds heeft begeleid, achter een dikke zwarte wolk. In de verte rommelt het. ‘Laten we gaan voor het erger wordt’, zegt Piet op het terras waar we zitten. Op een grasveld vlakbij laten we nog even de paarden grazen, terwijl we ons in de regenponcho’s hijsen die aldoor in een rolletje achter het zadel zaten.

Over het fietspad rijden we Kreuzberg uit. Op een smalle voetgangersbrug over de Sahrbach – zo’n designgeval met rood-blauwe leuningen – gebeurt precies waar Piet meerdere keren voor gewaarschuwd heeft. Halverwege de brug weigert Boy. Sonny en Kid, er vlak achter, springen achteruit. Fuzzy wil ook naar achteren, maar kan geen kant uit en stapt mis. Zijn rechterachterbeen glijdt van de brug en hij valt.

Ik gil meteen. ‘Fuz is gevallen! Fuz is gevallen!’ Zo snel als gaat met die onhandige poncho klauter ik via de leuning van hem af. Opstaan kan hij beter zonder mij dan met mij. Ook Hans-Peter en Achim werken zich razendsnel tussen de paarden uit. Maar Kid ligt op Fuzzy en daar half overheen ligt Sonny. Ik durf haast niet te kijken. Fuzzy ligt met zijn benen half over en onder de leuningen en vertoont geen spoor van paniek.

‘Weg bij dat paard’, roept Gregor achter me. ‘Kom hier. Hou Rimmy maar vast.’ Hij loopt naar de paardenkluwen toe. Als ik me weer omdraai, lopen Sonny en Kid van de brug af en heeft Piet Fuzzy’s zadel al losgemaakt. Fuz rolt heen en weer, zijn hoeven zwaaien langs en weer bijna door de leuning en dan staat hij weer met vier benen op de grond. Zijn halstertouw zit nog aan het zadel dat op de grond ligt. Met één haal snijdt Piet het touw door.

Fuz, in het geheel niet onder de indruk, schudt zich uit. Hij heeft een paar stevige schaafwonden aan de binnenkant van zijn rechterachterbeen, die Piet direct met betadinespray behandelt. Bibberig en met tranen in m’n ogen klim ik weer op Fuz.

‘Kom, nu moet je echt je medicijn’, zeggen de mannen en houden me de schnappsfles voor. Direct na de brug volgt een stevige klim richting Steinerberg, waar we overnachten in een rustiek berghuis. Fuzzy lijkt geen hinder te ondervinden van zijn valpartij en loopt zonder problemen verder. De zon breekt weer door. Bij ons is het verder droog gebleven, maar om ons heen heeft het gehóóst, horen we bij aankomst, compleet met blikseminslagen en gigantische hagelstenen. Dat is ons tenminste bespaard gebleven.

De laatste avond vieren we in de Wild Horses Saloon van Altenahr, met livemuziek en inline dansen door de plaatselijke westernclub. Pas heel laat komen de laatsten thuis. ’s Ochtends vroeg loop ik meteen naar de geïmproviseerde wei tussen de dennebomen. Fuz heeft in elk geval geen kater. Op de schaafwonden zit een korst en zijn been is nergens gezwollen. ‘Het gaat goed met hem hè’, knipogen de mannen voor we wegrijden. Blijkbaar was ik niet de enige die al vroeg bij hem was.

Onderweg is het opmerkelijk stil en bij de eerste stop worden zowaar Radlers (bier met citroenlimonade) besteld. De langste tocht heeft Piet voor het laatst bewaard en ter hoogte van het natuurpark Hohe Acht laat de zadelpijn zich dan toch voelen. Na zo’n zeven uur stevig doorrijden, stappen we Büchel binnen en kijken we uit op de ranch van Piet. De buurkinderen hollen ons tegemoet. ‘Kijk!’, roepen ze opgewekt als Fuz en ik ook de hoek omslaan. ‘Daar is Fuzzy. Fuzzy! Fuz-zy!’

Meer over