Off-road-safari door eindeloos wit

Bolivia heeft het grootste zoutmeer ter wereld. Tientallen touroperatortjes bieden hun diensten aan. Veel keuze in allemaal hetzelfde: adembenemend en oncomfortabel....

Yvonne Doorduyn

Snijdende kou. Grauwe, betonnen straten zonder ook maar een enkele boom. Een oude krant die opwaait in een ijzige windvlaag is het enige teken van leven. De eerste aanblik van het stadje Uyuni in het verre zuiden van Bolivia is weinig uitnodigend.

Het is een uur of zes; de zon zakt langzaam achter de horizon. Acht uur hebben we erover gedaan, met de bus vanuit Potosí – volgens de Bolivianen de hoogste stad ter wereld (4090 meter). Door een bizar landschap met machtige vergezichten, dat wel. Maar ziek van de vele bochten en het inademen van ladingen stof die door de telkens weer open trillende ramen binnenstuiven. In Bolivia is vier procent van de wegen verhard; tussen Uyuni en Potosí hebben we er weinig van gezien.

Toch zijn we niet de enige toeristen die de trip naar het onherbergzame zuiden maken. In de bus zaten nog een paar backpackers van hooguit dertig jaar. En de reisgids toont zeven hostels in een plaatsje van misschien tienduizend inwoners.

Ook toeristen weten de weg naar Uyuni te vinden. Het schrale, leeggewaaide dorp ligt op de rand van het ‘Alaska van Bolivia’. De Salar de Uyuni is met een oppervlakte van ruim twaalfduizend vierkante kilometer het grootste zoutmeer ter wereld. Twee keer zo groot als het Great Salt Lake in de Verenigde Staten, half zo groot als België. Op een hoogte van 3650 meter boven zeeniveau het hoogste bovendien. Wit als sneeuw en, afgezien van het regenseizoen, volledig opgedroogd, en dus berijdbaar.

En dat is precies wat de backpackers in Uyuni komen doen: het stadje is de uitvalsbasis voor een oncomfortabele off-road-safari door een van de mooiste gebieden van Zuid-Amerika.

De toeristenindustrie ontwikkelt zich er met horten en stoten. Tientallen touroperatortjes zitten zij aan zij in Uyuni. Met allemaal hetzelfde aanbod: vier dagen per jeep over de Salar, langs dezelfde vulkanen, door dezelfde woestijnen. Langs dezelfde rode en groene meren, dezelfde thermische baden en dezelfde geisers op 4800 meter.

En – omdat ze elkaar op elke dollar beconcurreren – tegen dezelfde bizar lage prijs van 65 dollar (ruim vijftig euro). Voor vier dagen, alles inclusief. Met als gevolg dat veel touragenten die onze reisgids (mei 2005) aanraadt, alweer zijn verdwenen: failliet.

De volgende ochtend om half elf ontmoeten we Juan en Luz Marina, onze chauffeur/gids en kokkin voor de komende dagen. Boliviaanser kan haast niet. Hij een stoere, gegroefde indiaan, zij een jonge Boliviaanse uit de boekjes: plooirok tot op de knieën, een schort met felgekleurde coca-strepen, gehaakte cape en een bolhoedje, waaronder lange vlechten die halverwege met een rood lintje aan elkaar zijn geknoopt. Anders dan in omringende landen, waar inwoners nogal eens betaald voor toeristen in deze kleding op de foto gaan, gaat in Bolivia iedereen zo gekleed.

Juan snoert voor vier dagen eten, slaapzakken, water en reservebanden op het dak, wij planten (met vier andere toeristen) onze knieën in de rugleuning van de voorstoelen.

We zijn nog maar een paar kilometer weg als we merken dat Juan nauwelijks Engels spreekt, Luz Marina geen woord. Ze blijken freelance te werken: ook voor elke andere touroperator in Uyuni. Juans privéauto, een minstens vijftien jaar oude Toyota Land Cruiser, bepaalt het comfort van de rit en de stuntelige uitleg van Juan het niveau van onze kennis van het landschap. We eten waar Luz Marina zin in heeft, de accommodaties zijn dezelfde voor iedereen die vanuit Uyuni vertrekt. Dat is de onbeholpenheid van een ontluikende toeristenindustrie. En dat is, zeker in vergelijking met Peru of Chili, de charme van Bolivia.

De eerste twintig kilometer gaan naar het noorden, naar Colchani waar we de laatste verharde weg van de komende dagen verruilen voor twee bruine strepen op het zout. Colchani leeft van het zout. Dit deel van het meer staat vol met bij elkaar geschepte zoutpiramides. Roestige trucks rijden af en aan om familiefabriekjes in de omgeving van grondstof te voorzien. Voor 6 boliviano’s (62 eurocent) per vijftig kilo wordt het zout gezuiverd, verpakt en naar de markt gebracht. Zo’n 18 duizend ton per jaar.

Pas voorbij de zouthopen wordt het meer de idyllische vlakte waar we voor komen. Maagdelijk wit tot aan de horizon, met een reliëf alsof het ontelbare losliggende platen zijn. De wind heeft het zout in talloze ‘breuklijnen’ geblazen. De structuur is gravelachtig als op een tennisbaan, maar dan witter dan wit. Je kunt oneindig ver kijken: puur, schoon, niets.

De vlakte is het ingedroogde overblijfsel van een groot diep meer: Lago Minduin, dat 25 tot 40 duizend jaar geleden nog een groot deel van de hoogvlakte besloeg. Nog steeds stroomt er diep onder de Salar water. Hier en daar borrelt het in kleine poeltjes omhoog.

We overnachten in hotel Playa Blanca, beter bekend als het zouthotel. Een huis, zo groot als een kleine veeschuur, volledig opgebouwd uit zoutblokken die uit het meer zijn gehakt. Alleen het dak is niet van zout.

Vanad Playa Blanca is het nog anderhalf uur rijden naar het hoogtepunt van de Salar: het kleine vulkanische eilandje Isla de Pescadores (visserseiland) – hooguit honderd meter in doorsnee. Tussen de metershoge cactussen door, op het hoogste punt van het eilandje, is de Salar op zijn mooist. Alleen een enkele berg onderbreekt in de verte de haarscherpe scheiding tussen het wit van het meer en het blauw van de lucht.

Eén nadeel: ook dagjesmensen uit Uyuni en reizigers vanuit Noord-Chili weten het te vinden. Isla de Pescadores staat op het punt verpest te worden. Een misplaatst restaurant van de keten Mongo’s heeft er zijn deuren geopend.

De nacht brengen we door in San Juan, samen met alle reizigers van de andere touroperators, even ten zuiden van de Salar. Een klein dorpje met lemen huisjes waar we in een uur omheen lopen. Daarbuiten strekt de Altiplano zich uit, een dorre hoogvlakte waar de wind vrij spel heeft. Grote groepen lama’s zoeken beschutting voor de nacht. Zelfs met hun dikke vacht is het nodig: het temperatuurverschil loopt hier op tot 50 graden Celsius – overdag rond de 30 boven nul, ’s nachts zo’n 25 graden eronder.

Wie van comfort houdt, is op de verkeerde plek beland. Verwarming kennen ze niet in San Juan. Althans niet in de paar barakken die hier voor toeristen zijn gereserveerd. Al bij het avondeten gaan de handschoenen aan. Na een kop thee of een borrel is het doorgezakte bed de enige plek om warm te blijven. Liefst met twee dekens en een slaapzak.

De volgende dagen gaat de rit verder richting Chileense grens. Over paden waar we door de uitstekende keien soms niet harder gaan dan tien kilometer per uur. Waar hellingen van 30 procent geen uitzondering zijn, tegenliggers geen optie.

De omgeving wordt ruiger, droger en kleurrijker. Kronkelige paden en uitgestrekte roodbruine woestijnvalleien wisselen elkaar af. Aan de randen van de valleien staan bergen met hier en daar de bekende botte top van een vulkaan. De Ollagüe, omgeven door grillig versteende lavasculpturen, rookt aanhoudend.

We passeren het meesterstuk van de Siloli: de door de wind uitgesleten Arbol de Piedra (‘boom van steen’), een rotsformatie in de vorm van een boom waarvan de proportioneel grote kruin griezelig balanceert op een veel te klein voetstuk. Een beeldhouwer zou het ontwerp niet bedenken.

Hoewel de zoutvlakte de meeste bekendheid geniet, is ook de natuur ten zuiden ervan uniek. We stoppen bij felgroene en bloedrode lagunes, midden in de woestijn. Grote groepen flamingo’s doen zich tegoed aan roze algen. We bezoeken geisers op 4800 meter, die rokend en blurpend een kijkje geven in het binnenste van de aarde. Thermische baden bieden voor het eerst in vier dagen een aangename gelegenheid voor een wasbeurt.

Pas halverwege de laatste dag, als er niet elk uur natuurschoon is te bewonderen, begint de oncomfortabele houding in de jeep op te spelen. Aan Juans rijtechnieken ligt het niet, maar zó veel keien in de weg zijn niet te ontwijken. Lange reisgenoten stoten met enige regelmaat hun hoofd, de benen zijn al in alle denkbare posities verplaatst.

Terug in Uyuni hoeven we niet lang na te denken. Met de eerstvolgende trein laten we het kille, betonnen dorp achter ons.

Meer over