Langs Belgische onbeholpenheid

Vanuit de Randstad gezien zijn de Limburgse Kempen dichterbij dan Maastricht. Bart Koetsenruijter doet er iets wat de Belgen zelf ook erg graag doen: fietsen....

Bart Koetsenruijter

Een occasionverkoper, een bouwmarkt, een zwembadinstallateur en een bordeel. Dat zijn zo wat van de bedrijven die gevestigd zijn langs de troosteloze provinciale weg die de reiziger het stadje Houthalen in de Belgische Kempen binnenleidt. Niet direct de omgeving waar je een romantische kasteelbrouwerij en een prettig fietsgebied vermoedt.

Het is dan ook een voormalige mijnstreek van België, die geschiedenis heeft geschreven met de profvoetbalclubs van Waterschei en Winterslag, afkomstig uit het nabij Houthalen gelegen Genk. Maar die clubs bestaan niet meer, evenmin als de mijnstreek zelf.

Het mijnverleden van Belgisch Limburg doet nu in beperkte mate dienst als toeristische trekpleister. Niet alleen is er in Houthalen het Museum Ons Mijnverleden, in het Park Molenheide bestaat de mogelijkheid een indoormidgetgolfavontuur te beleven ‘rond het thema van de mijn – uniek in Europa’. Tja.

Gelukkig kun je in de streek waar vroeger de steenkool uit de grond werd gehaald ook prima fietsen. Tenslotte zijn de Belgische Limburgers de uitvinders van het fietsknooppuntennetwerk. Het geniale bewegwijzeringssysteem, dat inmiddels ook Nederland in zijn greep heeft, stamt uit de Kempense mijnen, waar het als ondergrondse bewegwijzering werd gebruikt. Na sluiting van de mijnen werd het systeem bovengronds toegepast en in 1995 werd het eerste netwerk geopend.

Limburg houdt dan ook van fietsers, benadrukt Marc Verstraten van Toerisme Vlaanderen, ‘maar van sommige fietsers meer dan van andere’. En met andere bedoelt hij de groepjes racefietsers, die je in België zelfs op doordeweekse dagen frequent aantreft. ‘We krijgen daar veel klachten over. Voor hen hebben we iets anders bedacht. Ken je het circuit van Zolder?’ Dat 4 kilometer lange racecircuit is op dinsdag, woensdag en donderdag vanaf 6 uur ’s avonds opengesteld voor fietsers. Verstraten: ‘We zouden graag zien dat ze daar gingen racen.’

Zodat de vrijliggende goed geasfalteerde fietspaden beschikbaar zijn voor ‘de fietsers die wat minder haast hebben, en wat beter om zich heen kijken, hè’. Heeft de streek die fietsers wat te bieden dan? Zeker, veel prachtig bosgebied – soms, waar vroeger de mijnen stonden, vrij nieuw bos – waardoorheen het uitstekend fietsen is. De Belgen hebben toch iets minder de neiging elk kruispunt vol te zetten met aanwijsborden, zodat de knooppuntenborden prima te volgen zijn. Je meandert er heerlijk door bossen van dorre eiken en beuken, gelardeerd met ouderwetse vierkante betonnen palen die het ‘militair domein’ markeren waar je slechts omheen mag fietsen.

Meestal is het er in de herfst mooi, soms heel mooi en soms lelijk: je kunt een bos uit rijden en zomaar terechtkomen in een weliswaar klein, maar toch ook erg lelijk industrieterrein aan de rand van een weinig opbeurende dorpskern. Bij mooi weer, waarmee deze herfstdag gul is, doet die Belgische onbeholpenheid je glimlachen.

En behalve de aangename fietsomgeving heeft Belgisch Limburg nog iets waarmee de streek graag toeristen trekt: bier. In heel België zijn nog minstens honderd brouwerijen actief. Vier kleine ambachtelijke Limburgse brouwers zijn opgenomen in vier fietsspeurtochten (rond de 40 kilometer) die bij uitstek geschikt zijn voor gezinnen met kinderen.

Ter Dolen, op nog geen 300 meter van de troosteloze provinciale weg N 715, is er een van. De brouwerij is gevestigd in de bijgebouwen van het voormalige buitenverblijf van de abt van St. Truiden. In het middeleeuwse kasteeltje zelf woont het brouwersechtpaar, dat als bijverdienste nog een aantrekkelijke bed and breakfast in een van de torens uitbaat. Een paradijsje.

Wie hier zijn fietstocht begint en eindigt, wordt met liefde rondgeleid door de vijftien jaar oude brouwerij, die 2.500 hectoliter bier per jaar produceert, een ‘verwaarloosbaar volume op de markt’, zegt brouwer Jeroen Luys. En dus worden hij en de bijna honderd andere kleine brouwerijen ‘met rust gelaten door de grote jongens’. Het zijn de middelgrote brouwerijen – ‘pilsmakers’, noemt Luys ze – die de marktleiders op de korrel hebben. Niet Ter Dolen, of Sint-Jozef, De Achelse Kluis en Martens, de andere drie waarvandaan gefietst kan worden. Zij zijn in zekere zin onmisbaar voor de grote jongens, zegt Luys, terwijl hij voorgaat naar het riante terras waar hij een paar van zijn speciaalbieren uitschenkt: ‘Wij vormen de kleuren van het bierlandschap.’ De N 715 lijkt ineens mijlenver weg.

Meer over