Reportageop fietscursus

‘Jij bepaalt wat je fiets doet, en niet andersom’

Fietsinstructeur Remko van Gils (rechts) legt de techniek van dalen uit aan zijn cursisten, onder wie Volkskrant-redacteur John Wanders (links). Beeld Zaza Bertrand
Fietsinstructeur Remko van Gils (rechts) legt de techniek van dalen uit aan zijn cursisten, onder wie Volkskrant-redacteur John Wanders (links).Beeld Zaza Bertrand

Volkskrant-redacteur John Wanders kocht een snelle fiets en kreeg er tot zijn verbazing een gratis fietscursus bij van drie lessen. ‘Als we jou een goeie start kunnen geven, wordt het leuk. Niks rijdt zo lekker als een racefiets.’

John Wanders

‘Naast me blijven, naast me blijven’, maant instructeur Remko van Gils. Zijn stuur raakt bijna het mijne. Schouder aan schouder beklimmen we op onze lichte fietsen een smal paadje op een heuveltje in Zoetermeer dat is gebouwd op kapotte koelkasten en andere zooi. Mijn verlangen om bij Remko weg te dansen is groot. Want een fractie naar rechts en mijn stuur raakt het zijne. Een fractie naar links en mijn voorwiel rolt van het paadje af, waar de struiken al op mijn smadelijke val lijken te wachten. Maar ik moet in het zadel blijven, naast de instructeur. Hij wil mijn stuurvaardigheden vergroten en me vertrouwd maken met het rijden in groepsverband. Hij hoort aan mijn adem dat ik bij hem weg wil. ‘Naast me blijven’, klinkt het opnieuw.

Een kleine kwart eeuw geleden beklom ik tijdens een vakantie in de Pyreneeën op een ruim 12 kilo zware toerfiets de Col d'Aubisque, die ik kende van de Tour de France. Over het asfalt, met daarop in witte letters de namen van de wielerhelden van toen - LeMond, Fignon, Delgado, Indurain - kroop ik als een slak naar boven. Eenmaal aangeland tussen de majestueuze bergtoppen stelde ik vast dat het uitzicht alle moeite ruimschoots waard was geweest, maar dat de klim met lichter materiaal en andere tandwielen toch echt sneller moest kunnen. Deze zomer, na lezing van Bert Wagendorps aanstekelijke jongensboek Ventoux, waarin de auteur fraai de totale eenwording beschrijft van ‘de man, de fiets en het asfalt’, besloot ik dat een decennia oud voornemen eindelijk maar eens werkelijkheid moest worden: ik ging een snelle fiets kopen. Inbegrepen bij de aankoop van dat fietsje, een matzwarte Cannondale, zat een fietscursus van drie lessen.

‘Een fietscursus?’, vroeg iedereen in mijn omgeving – waarbij de hoon in de vraag vaak net iets luider klonk dan de verbazing. Ook ik vroeg mij af wat iemand die al bijna een halve eeuw fietst in hemelsnaam nog zou kunnen opsteken van een fietsinstructeur.

Veel, zo bleek al bij les 1.

Grappig en leerzaam om over een parcours achter het ADO-stadion te fietsen met slechts één voet op een pedaal, om met de linkerschouder fietsend aan te hangen tegen de rechterschouder van medecursist Frederique, om hand in hand met medecursist Richard hard door de bochten te sturen, om slippend een noodstop te maken, een zwarte streep trekkend op het asfalt.

‘Ons idee van een gratis fietscursus ontstond als uitvloeisel van de trend dat steeds meer vrouwen de racefiets ontdekken’, vertelt John van Herwerden, eigenaar van een 115 jaar oud familiebedrijf in Voorburg, gespecialiseerd in racefietsen en mountainbikes. ‘Het vrouwenfietsen is het afgelopen jaar echt geëxplodeerd. Wij zien een toename van 30 procent in de verkoop van damesfietsen, het merendeel daarvan racefietsen. Veel vrouwen maken in de sportschool tijdens lessen spinning kennis met de fietshouding en op enig moment willen ze dan weleens naar buiten. Dan krijgen ze te maken met nieuwe dingen: met snelheid, sturen, schakelen, remmen, lek rijden. Wieltje eruit wippen, een bandje verwisselen, bochten aansnijden. Het zijn dingen waarvoor ze nogal eens angst hebben. Omdat het zo goed uitpakte bij die vrouwen, bieden we de cursus nu aan al onze nieuwe klanten aan. Onze filosofie is: als we jou een goeie start kunnen geven, wordt het leuk.’

Instructeur Remko van Gils vat het kerndoel van de fietscursus in negen woorden samen: ‘Jij bepaalt wat je fiets doet en niet andersom.’

Dat klinkt als een cliché, maar bij een racefiets, waarbij snelheden van boven de 40 kilometer per uur niet ongebruikelijk zijn, blijkt dat nog helemaal niet zo vanzelfsprekend. Al tijdens een van mijn eerste tochtjes ervaar ik bij een afdaling van een duintop dat centrifugale krachten mij genadeloos naar de buitenkant van de bocht duwen en vervolgens over de verhoogde rand van het fietspad. Ik beland van het asfalt in het stoffige zand en weet mezelf, snel een voet losmakend uit de klikpedalen, met moeite op de been te houden. ‘Dat ging maar net goed, hè!’, roept een ouwe baas me toe, passerend op een degelijk herenrijwiel. Godlof zijn er in Kijkduin geen ravijnen, maar inderdaad, wie is hier verdorie nou de baas, de fiets of zijn berijder?

‘Je moet de fiets met je buitenste been als het ware door de bocht duwen’, doceert de volgende dag een ervaren collega, zelf al decennialang een fietsfanaat.

Alle beginnende racefietsers hebben behoefte aan een bepaalde handigheid die ze niet zullen leren als een ander het ze niet vertelt, zegt Van Herwerden. ‘In competitieverband is de leercurve zeer steil; een renner die een bocht niet goed aansnijdt of op een verkeerd moment schakelt, wordt in de koers meteen afgestraft. Maar bij veel startende fietsers verloopt het leerproces tergend langzaam. Ze maken fouten, zitten verkeerd op de fiets of met de verkeerde kleding aan, en dan krijgen ze fysieke klachten. Dat gaat ten koste van het fietsplezier, met als gevolg dat menigeen er na een tijdje weer mee ophoudt. Dat is zonde, want niks rijdt zo lekker als een racefiets.’

De Voorburgse winkelier kent alle anekdotes over de oorlogen die worden uitgevochten op de drukke Nederlandse fietsroutes, een item dat deze zomer nog het Achtuurjournaal haalde na een dodelijke botsing tussen een racefietser en een reguliere fietser.

‘Het is vooral oppassen’, zegt hij, ‘met de semi-gesponsorde weekendwarriors die op de zondagochtend in een peloton van dertig, veertig man georganiseerd rondrijden in wielershirts met opschriften als Café 't Haasje of De Drilborenspecialist. Voor in zo'n peloton zijn ze nog wel pienter, maar achterin tref je veelal de rijders aan die met de tong uit de mond zitten af te zien. Moeheid levert concentratieverlies op. Bovendien, je ziet achteraan niet wat er vooraan aankomt.’

Een peloton maakt een beweging als een sjaal, legt hij uit. ‘Als de voorste naar links stuurt, moet de achterste vijf seconden later ook naar links sturen. Bij een grote groep geeft dat achterin het peloton nog weleens een uitslag tot over het midden van de weg.’

Van Herwerden haast zich te zeggen dat er onder de georganiseerde racefietsers ook veel keurige groepen zitten, waar wel etiquette heerst, waar ze wel in de remmen knijpen als het gevaarlijk wordt. En natuurlijk, er zijn ook talrijke ‘gewone’, langzame fietsers die voor gevaarlijke situaties zorgen door hun onoplettendheid, geslinger of asociale rijgedrag. ‘Mijn vrouw en ik kwamen afgelopen weekeinde op het fietspad nog een man en een vrouw tegen die naast elkaar reden op e-bikes. Die twee vertikten het domweg om uit te wijken voor ons. Wij moesten aan de kant. Ze passeerden ons met een stoïcijnse blik van: dit fietspad is namelijk van ons.’

Maar goed, hij ziet ook nog altijd racefietsers die de wielersport een slechte naam bezorgen. ‘Groepen die op een drukke dag met 50 kilometer per uur over de boulevard van Katwijk racen. En dan naar voorbijgangers schreeuwen dat ze aan de kant moeten. Dan maak je dus antireclame voor de wielersport.’

Mensen generaliseren snel, weet hij. ‘Dan zien ze jou aankomen op je racefiets, je helm op, je zonnebril voor de ogen, en dan zie je ze denken: daar heb je weer zo’n klootzak. Ik fietste onlangs op een provinciale weg - ik geef toe, ik had een andere route kunnen nemen, met daarin een opgebroken stuk weg - toen er een automobilist vlak achter mij ging rijden en secondenlang op zijn claxon drukte. Dat was intimiderend. Maar het geeft aan dat die automobilist een eerdere ervaring heeft gehad met een racefietser, en geen positieve. In de ogen van die man is elke gehelmde fietser in gekleurd shirt een wegpiraat. Dat vooroordeel is al gevormd voordat hijzelf de weg op gaat.’

Racefietsers kunnen hun eigen imago positief beïnvloeden, denkt Van Herwerden. ‘Door de verkeersregels na te leven en hun koppie te gebruiken. Zodat het veiliger en iets aangenamer wordt op de Nederlandse fietsroutes. Ook aan dat doel hopen wij met onze cursus een bijdrage te leveren.’

Tien tips voor de (beginnende) racefietser:

1 Door je fiets tijdens het rijden op te tillen, kun je kuilen en verhogingen in de weg soepel ontwijken, ook als je niet naar links of rechts kunt uitwijken, bijvoorbeeld omdat je in een groep rijdt. Oefen eerst het voorwiel, dan het achterwiel en dan beide wielen tegelijk.

2 Oefen een noodstop, waarbij je snel een voet uitklikt. Nooit remmen op alleen de voorste remblokjes.

3 Klik je voet uit als het pedaal in de lage stand staat; dat is beter voor je achillespezen.

4 Pootjes van je zonnebril gaan over de riempjes van je helm, en er dus niet onderdoor.

5 Leun niet zwaar op je armen en polsen. Het zwaartepunt moet je zitbotje zijn. Oefen dit door even met losse handen te fietsen.

6 Spreek in een groep duidelijk af hoe je elkaar waarschuwt voor andere weggebruikers en obstakels.

7 Als je in een groep rijdt en even goed achterom wil kijken, gebruik dan (na overleg) de schouder van je buurman als steunpunt voor je hand; dat voorkomt dat je gaat slingeren.

8 De kunst van het wielrennen is souplesse: peddelen, dat wil zeggen niet te zwaar te rijden maar in een vloeiende beweging van duwen en trekken van je benen. Oefen een frequentie van 90 tot 110 omwentelingen per minuut.

9 Kijk niet steeds naar je ketting en tandwielen. Leer je tandwielen kennen. Kijk naar voren en schakel bijtijds naar een lichter verzet als je ziet dat de weg omhoog loopt.

10 Geef een racefiets twee steunpunten als je hem neerzet, stuur en zadel, dat voorkomt omvallen van je fiets en schade aan de lak.

Meer over