'Ik weet na al die jaren zelf wel wat goed voor me is'

Topsport is een kwestie van veel én hard trainen; van leven onder permanente prestatiedruk. Dat vraagt in zowel lichamelijk, geestelijk als sociaal opzicht veel van de topsporter en zijn omgeving....

MARATHONSCHAATSERS zijn boer, rietdakbedekker, postbode of leesmappenbezorger. Tijd om maatschappelijk carrière te maken is er niet, want een marathonschaatser rijdt gemakkelijk tot zijn veertigste met de top mee. Peter de Vries (30) werkt in de sportwinkel van zijn ouders. Niet zozeer omdat het werk leuk is, maar vooral omdat het gemakkelijk te combineren is met zijn sport. 'Ik heb het geluk dat ik de zaak straks kan overnemen.'

Ongeveer twintig vrije dagen gaan elk jaar op aan wedstrijden of een trainingsstage in het buitenland. In strenge winters wordt bovendien op doordeweekse dagen een zwaar wedstrijdprogramma afgewerkt. Schaatsers verschijnen 's winters òf helemaal niet òf afgepeigerd op hun werk.

'En je móet er wel bij blijven werken, want meer dan een behoorlijke onkostenvergoeding verdien je er niet mee. De betaling is nog steeds erg amateuristisch. Er is eigenlijk maar één schaatser die er niet bij hoeft te werken, Erik Hulzebosch. Als je het voor het geld doet, kun je beter gaan werken. Iedereen doet het voor de eer.

'Ik heb het makkelijk, omdat we thuis de zaak hebben. Dan kun je wat schuiven met personeel. Bovendien vinden mijn ouders het leuk dat ik schaats. Maar Yep Kramer bijvoorbeeld kan geen verlof krijgen. Welgeteld twee weken kan hij met vrouw en kinderen op vakantie en dan is hij bijna door zijn dagen heen.'

Als Peter de Vries (bijnaam: misdaadverslaggever) nog eens op zijn carrière terugblikt denkt hij, dat er buiten zijn ouders, geen andere werkgever zou zijn geweest die hem niet zou hebben ontslagen. Door blessures was hij weken, soms zelfs jaren uit de roulatie.

'Sport betekent niet alleen veel trainen, sport betekent normaliter ook weinig carrière maken. Dat moet je incalculeren. Je bent veel weg voor wedstrijden en trainingen. Als je dan ook nog eens, door sportblessures, vaak thuis zit dan kan ik me voorstellen dat een bedrijf het op zeker moment voor gezien houdt.'

Sleutelbeen gebroken bij een fietstraining, schouderblad tijdens een val op het ijs, achillespeesblessure, elke kwetsuur hield hem al gauw zes weken thuis. Tien jaar geleden werd De Vries het slachtoffer van een ernstig auto-ongeluk. Met stalen platen werden de gebroken gewrichten weer op hun plaats gezet, maar van schaatsen kon nooit meer sprake zijn, dachten de doktoren. Aan de hand van Henk Gemser, de coach van de kernploeg, kwam de Fries weer terug. Nog steeds helpt Gemser hem met zijn trainingsschema's.

'Dit jaar ben ik weer begonnen met krachttraining, met name gericht op de benen. Lopen doe ik niet. Vroeger kon ik wel hardlopen, maar na het ongeluk heb ik het niet meer gedaan. Mijn training is tamelijk intensief. Voor een uur hardlopen moet je al snel anderhalf uur fietsen om hetzelfde effect te bereiken. Ik doe het nu al zeven jaar zonder en dat lukt ook. Ik compenseer het met een extra skeelertraining.'

Sinds de marathonploegen een professionelere begeleiding hebben, wordt meer en vooral gerichter getraind. Stam, Borst en De Vries, die samen de ploeg Bional/Van Lingen vormen, trainen niet samen. De Vries: 'Henk Gemser zet wat richtlijnen op papier en dat is ongeveer mijn schema. Door mijn ervaring weet ik zelf wel wat goed voor mij is.

'In de zomer doe ik kracht-, fiets- en skeelertraining. Ik fiets twee keer in de week met een groepje marathonschaatsers en wielrenners mee. Dat is meestal één kilometer warming-up en daarna de dood of de gladiolen. Proberen we elkaar zo snel mogelijk los te rijden. En dan vlak voor Heerenveen in de remmen knijpen en wachten op de rest. Maar ik zit ook wel eens achteraan.

'Sommige marathonschaatsers gaan nog eens de hele zomer alle skeelerwedstrijden af, maar daar heb ik geen zin in. Je bent 's winters al vijf maanden lang intensief met schaatsen bezig. Je staat ermee op en je gaat ermee naar bed. In de zomer vind ik het heerlijk om eens niet te hoeven presteren. Na het ijsgala, de afsluiting van het seizoen, dan doe ik ook twee maanden helemaal niks. Als je op zaterdagavond een keer weg wilt, dan ga je.

'Rond mei en juni train ik zo'n acht uur per week. Dat bouw ik langzaam op tot vijftien uur in oktober. In september begint het weer te kriebelen. Ik kan me niet voorstellen dat, als je dertig skeelerwedstrijdjes in de zomer rijdt, je in oktober weer fit en scherp bent. Ik niet in elk geval.'

Drie keer in de week stappen, zoals zijn vrienden vaak deden, was er voor De Vries nooit bij. Hoewel hij zijn broer soms met lichte afgunst de deur uit zag gaan. 'Ik ben op mijn vijftiende ook wel uitgegaan, maar op een andere manier dan mijn broer. Die was op zijn zeventiende gediplomeerd timmerman en verdiende zijn eigen centen. Hij ging drie keer in de week stappen. Dat leek mij ook wel mooi, maar ik was nu eenmaal de sportieveling in de familie. ''Peter die gaat schaatsen hoor, die gaat niet weg.'' Zo werd er door mijn ouders al gauw over mij gesproken.

'De marathonwedstrijden zijn mijn wekelijkse uitje. Of ik nou om twaalf uur of om één uur thuiskom, dat maakt me niet uit. Natuurlijk drinken wij wel eens een pilsje, en ook wel meer dan één, want dat is mijn avond uit 's winters. Anderen gaan om twaalf uur de kroeg in, maar dan ga ik alweer naar bed.'

Ondanks zijn vele ongelukken staat 'het medisch wonder uit Luxwoude' nog steeds op het ijs. Zijn bezetenheid voor het schaatsen gaat ver. 'Na mijn ongeluk heb ik tijdens de revalidatie nog twee keer mijn been gebroken en toen heb ik wel eens gedacht: jongens ik hou er maar mee op, want het wordt toch niks meer.

'Na een paar weken was ik net weer een beetje in het ritme gekomen en dan had ik de boel weer dwars door. Kon ik weer opnieuw beginnen. Dat had niet veel langer moeten duren, want je komt in een heel ander levensritme en dan is het moeilijk het gewone leven weer op te pakken. Maar ik was bezeten van die sport. Ik zóu en ik móest weer schaatsen.'

Die bezetenheid heeft De Vries nog steeds. Bij de Elfstedentocht brak hij zijn schouderblad, vijf weken later stond hij alweer op het ijs. 'Op de Weissensee heb ik stiekem getraind. De dokter zei dat ik het beter niet kon doen. Als ik weer zou vallen, zou de hechting van het bot weer loslaten.

'Sport gaat vaak boven de gezondheid. Ik zou bij wijze van spreken best een half jaar in een rolstoel willen zitten als ik de Elfstedentocht zou kunnen winnen. Daar hoef ik niet lang over na te denken. Schaatsen is een deel van mijn leven, net als mijn werk en mijn gezin. Vijf maanden van het jaar is schaatsen het allerbelangrijkste. Na die tijd kun je het wel relativeren, maar op het moment dat het startschot klinkt moet je maar één ding willen.'

Dit is de achtste aflevering uit een serie over topsport en training.

Meer over