essay

Holle uitwisselingen zijn slecht voor onze creatieve vermogens. Zullen we stoppen met ‘Hoe gaat het’?

null Beeld Claudie de Cleen
Beeld Claudie de Cleen

Wat moeten we met die ene vraag waar we geen echt antwoord op verwachten: Hoe gaat het? Ianthe Sahadat, met wie het een tijd niet goed ging, zoekt naar een manier om door het moeras van onverschilligheid te waden.

Zeventien keer. Ik heb het geturfd. Zeventien keer is me vandaag gevraagd hoe het gaat.

Een van de vraagstellers was een aardige buurman. Ik zette juist mijn fiets op slot en mijn hersenen begonnen in het wilde weg archiefkasten open te trekken met informatie. Ik waadde mentaal door een onsamenhangende melange van licht, lukraak, urgent, zwaar, praktisch, futiel en groots: koude handen, zin in koffie, slecht geslapen, mail te sturen, dode vader, hoe te rouwen, depressie, angst.

Dus ik zei: ‘Prima, en met jou?’

Het kan aan mij liggen, maar ik vind het confronterend: deze groet vermomd als vraag. Hij overvalt me vaak. Maar waarom? Heeft het te maken met een matig talent voor liegen? Is er sprake van een braaf soort plichtsbesef, een moraalriddertje op mijn schouder dat voortdurend lispelt: gij zult de waarheid spreken? Of is er meer aan de hand?

Volgens etiquettedeskundige Beatrijs Ritsema ga ik de mist in als ik in ‘hoe gaat het’ een vraag meen te ontwaren. Dat is het namelijk niet. ‘Een zuiver conventionele gespreksopening, een formaliteit’, noemt ze het. Niets anders dan een variant op hallo, hoi of goedendag: een vorm van verbaal kwispelen. Met eigenlijk maar één mogelijk antwoord, volgens Ritsema: Goed, hoor, en met jou? ‘De uitwisseling die erop volgt heeft een informatieve waarde van nul komma nul en dat is ook de bedoeling.’ Haar advies: vooral niet te zwaar opvatten.

Ritsema schrijft reeds twee decennia een succesvolle vragenrubriek over menselijke interacties en ongemak in dagblad Trouw. Ze attendeert me op een zo mogelijk nog storender variant van de vraag die geen vraag is: ‘Alles goed?’ Het antwoord alvast in de vraag ingebouwd en de aangesprokene voortvarend de pas afgesneden. Ritsema klinkt wat meewarig aan de telefoon als ze het heeft over dit menstype dat lege woorden verkiest boven zwijgen, na een basisgroet als goedendag of hallo. Allemaal horror vacui, leegtevrees. Want meer dan ‘een kreet om de leegte te vullen’ is het natuurlijk niet.

Ritsema heeft uiteraard gelijk. En ook mij gaat een betekenisloze uitwisseling op zijn tijd heus moeiteloos af. Desalniettemin blijf ik het moeilijk vinden om ‘hoe gaat het’ als opening van een louter rituele woordendans te ervaren. Want het voelt geregeld alsof iemand vraagt: wie bén jij eigenlijk?

Ooit ging het betrekkelijk slecht met me. Na een jaar van kluizenaarschap keerde ik terug in de wereld. De vraag hoe het ging voelde als een mokerslag. Het klinkt misschien vreemd, maar het voelde alsof ik naakt en broos moest manoeuvreren door een spervuur van beleefde interesse, betrokkenheid en empathie. Het was een vriendin die me wees op de mogelijkheid van een ingestudeerde beleefdheidsfrase (‘Omdat je niet iedereen in je huiskamer hoeft uit te nodigen’) die me voorzag van een laagje zelfbescherming. Uit lijfsbehoud.

Een rondvraag in mijn omgeving levert gelijkgestemde geluiden op. Belachelijke vraag, geveinsde interesse, klinkt het. Te groot. Nietszeggend. Te intiem.

Hol en obligaat, zegt een vriendin. ‘Mensen die hem stellen zitten niet te wachten op een ander antwoord dan ‘prima’ of ‘druk’.’ De vriendin in kwestie is moeder van een kind met ernstige beperkingen. Haar leven staat grotendeels in het teken daarvan. Simpelweg ‘prima’ gaat het eigenlijk nooit. Het ligt zelfs zo ver van de waarheid, dat het regelmatig pijn doet als ze het zichzelf hoort zeggen. Conventie of niet.

Ook de collega die een kind verloor vindt het ‘een onmogelijke vraag’. ‘Het is nooit meer gewoon goed. Er is altijd een maar. Aan de andere kant: het is beter dan mensen die helemaal niets vragen.’

Zij die het zinnetje storend vinden, gebruiken de woorden zelf niet bij lichtvoetig contact. Of ze pogen de vraagsteller even te ontregelen met een wedervraag. In welk deelgebied ben je precies geïnteresseerd, vraagt een schrijver die ik ken bijvoorbeeld soms. Wat mensen dan zeggen? ‘Weinig tot niks.’

Een collega-journalist is onverbiddelijk: als het een korte ontmoeting is met iemand die je amper kent en je hebt geen tijd, vraag het dan gewoon niet of zeg alleen maar leuk om je te zien. In gesprek met vrienden stelt ze de vraag ‘hoe gaat het’ trouwens ook zelden. ‘Dan probeer ik specifieker te zijn, door te vragen naar iets waarvan ik weet dat ze er de afgelopen tijd mee bezig waren.’

Een andere collega merkt op dat hij en zijn vrienden sinds corona ‘niet meer kunnen faken’. Geen van hen zegt nog: goed. Hij ontwaart het einde van het mooi weer spelen als sociale conventie. Want voor wie was het afgelopen jaar wél te gek gaaf?

Meteen terugvragen

Een bekende vertelt dat ze een tijdje principieel ‘eerlijk en hinderlijk uitvoerig’ antwoordde op de vraag. Bij wijze van experiment. En omdat ze vond: wie de vraag stelt, moet ook bereid zijn te luisteren.

Het resulteerde in enkele bijzondere gesprekken, maar vooral in ongemakkelijke vermoeiende ontmoetingen. Wat bleek: ze vond het zelf niet prettig om tegen vage bekenden haar hart te luchten. Na afloop was ze uitgeput en voelde ze zich ‘een beetje smerig’. Dus kiest ze toch voor een niksig ‘gaat wel hoor’, trekt soms geïrriteerd een wenkbrauw op en denkt ondertussen: wat dacht je van gewoon hallo?

Wie op lastige momenten een invoelende medemens treft, heeft geluk. Het type dat via een enkele zin of non-verbaal signaal laat zien te weten dat je in zwaar weer verkeert, maar geen uitweiding verwacht. Dat is de troost geboden via een gebaar dat zegt: ik heb je gezien.

Zoals de meeste mensen heb ik het idee dat er maar een gepast antwoord bestaat op de vraag hoe het gaat: ‘goed’ dan wel ‘prima’. Of ‘druk’, de moderne variant op ‘dus ik besta’. Ik voel me in elk geval bezwaard iets anders te antwoorden. Al was het maar uit vrees om koket, emotioneel dwingend of als een zeur over te komen.

Bij mensen die je verder koud laten rolt de gemeenplaats er nog wel soepel uit, net als bij mensen die je onsympathiek vindt. Maar zodra ik iemand mag, gaat het mis. Ik gun het diegene me te kennen, voel me ‘vals’, als een toneelspeler die zichzelf én de ander tekort doet terwijl ik het tergende ritueel onderga.

In paniek roep ik soms alleen maar ‘ja’, een antwoord als een sprong over de vraag heen. Ik haal mijn schouders op of hoor mezelf net iets te opgewekt zeggen: kut, maar laten we het over iets leuks hebben.

Want dat is de reflex: wie iets negatiefs zegt voelt onmiddellijk de taak om de ander gerust te stellen, met een ‘maar komt weer goed hoor’ of ‘daar hoef jij verder niks mee’.

Ook veilig: iets roepen over de lockdown – en dan niet in vorm van die voortdurende ruis op de achtergrond, de polarisatie in de samenleving of het amorfe uitgesmeerde gemis maar als contemporaine variant op het weer. Snel algemeen maken, weghalen bij jezelf.

Meteen terugvragen is een andere beproefde formule. Genoeg dankbare mensen, die – in de woorden van Beatrijs Ritsema – ‘toch al zitten te vlassen op een sein om over zichzelf te kunnen beginnen’. ‘Kun jij je behaaglijk nestelen in de veilige rol van toehoorder.’

'hoe gaat het' Beeld Claudie de Cleen
'hoe gaat het'Beeld Claudie de Cleen

Het wonderlijke is dat mijn brein automatisch zoekt naar een antwoord dat ik nooit zal geven. De vraag ontlokt een intern proces, een soort omvallende stenen die ik helemaal niet wil laten omvallen. De vragensteller is alweer uit beeld, maar in mij galmt de vraag nog na.

Want: ik weet ook niet altijd hoe het gaat. Hoe gaat het met me? Geen idee. Je staat van zijn heeft met zo veel dingen te maken. Vraagt iemand naar mijn twijfels en worstelingen, mijn kinderen, mijn werk of welke serie ik kijk op Netflix?

Het is een vraag die, voor wie streeft naar enige diepgang of volledigheid, per definitie een complex en diffuus antwoord oplevert. Omdat ‘het leven’ nu eenmaal grillig, onbegrijpelijk en ingewikkeld is, terwijl het dagelijkse bestaan toch vooral bestaat uit de dingen die je nu eenmaal doet.

Blijmoedigheidscultus

Af en toe een betekenisloze riedel afdraaien overkomt ons allemaal, zegt filosoof en schrijver Joke Hermsen aan de telefoon. Maar niet of zelden wat langer stilstaan bij hoe het werkelijk gaat, dat proberen te verwoorden, is wel een probleem. Ze wil niet elke kretenuitwisseling problematiseren. Smalltalk is prima, maar het moet niet de kern worden van ons sociale contact.

Hermsen is een voorstander van het bedachtzame leven, schrijft ze onder meer in haar jongste boek Ogenblik & eeuwigheid. Essays over kunst, met ‘ruimte voor reflectie over vragen die er echt toe doen en die zorgvuldige formulering behoeven’. Ze verzet zich tegen de maatschappelijke blijmoedigheidscultus waarin het oplossen van verdriet en leed als een taakje om af te vinken belandt op de lange to-dolijst.

Een teveel aan lege, holle uitwisselingen kan onze creatieve en sociale vermogens negatief beïnvloeden, volgens Hermsen. We zijn talige wezens, ons denken geschiedt in taal. Dankzij taal en verbeeldingskracht kunnen we nieuwe ideeën verzinnen en ons in anderen verplaatsen.

We zouden vaker de tijd moeten nemen om te onderzoeken wat we werkelijk voelen, hoe het met ons en de wereld is gesteld, vindt de filosoof. ‘Als we dat in de drukte en haast van ons bestaan vergeten, leidt het een vorm van vervreemding, ten opzichte van onszelf, en van de ander, met alle gevolgen van eenzaamheid en onverschilligheid van dien.’

De vraag hoe het gaat is steeds meer verworden tot kreet in het voorbijgaan, een gespreksafhouder zelfs. ‘Want we weten dat we dan een nietszeggende opgewekte uitroep mogen verwachten’, zegt Hermsen.

Als we louter nog via holle, snel uitgewisselde kreten communiceren, dan raken we niet alleen onszelf, maar ook het contact met de wereld kwijt. Ingeborg Bachmann, de Oostenrijkse filosoof waarop Hermsen promoveerde, noemt holle taal Gaunersprache. Letterlijk ‘boeventaal’, in de zin: een taal die je berooft van wie je bent.

Er moet een zekere rust en belangstelling aan de vraag verbonden zijn, vindt Hermsen. ‘Pas als we een pauze of stilte in acht nemen, kan de reflectie op gang komen. Als we daar te druk of te moe voor zijn, vervallen we in nietszeggende clichés. Het is belangrijk om je te realiseren dat je daarmee dan ook aan jezelf voorbijgaat.’ Wie momenten van stilte (oftewel: reflectie) permanent overslaat, houdt de waan van de dag in stand.

Haar advies: laat af en toe een stilte vallen, ga een stameling niet uit de weg. Want een gesprek begint pas daarna, vanuit de hapering, aarzeling of twijfel.

Hoe oppervlakkig ook, smalltalk heeft wel degelijk een functie, zegt sociaal psycholoog Namkje Koudenburg, die onderzoek deed naar de ‘flow’ van gesprekken. ‘Als een gesprek soepel loopt, geeft dat een gevoel van verbondenheid. Ook als er slechts triviale zaken besproken worden.’ Tal van onderzoeken laten zien dat het bijdraagt aan ons welbevinden, aan een gevoel van nabijheid en saamhorigheid – smalltalk kan een mopperstemming zelfs doen kantelen naar een betere bui.

Smalltalk kan dienen als ijsbreker of opwarmer voor het echte werk, schrijven Liz Luyben en Iris Posthouwer in hun Smalltalk Survivalgids. Of in de woorden van dominee Sjoerd, geciteerd in het boekje: ‘Ik moet wel eerst een praatje maken, ik kan moeilijk gelijk vragen: Zeg, hoe denk jij over Jezus?’

Luyben, neerlandicus en bierbrouwer te Spanje, schreef de gids omdat ze zelf vaak stond ‘te hannesen’. De vraag ‘hoe gaat het’, raadt ze af. ‘Fantasieloos. En ondanks de eventuele intentie is het een van de onpersoonlijkste vragen die je kan verzinnen. Bovendien slaat het een gesprek snel dood. Na een ‘goed, hoor, en jij?, ook goed’ ben je al klaar.’ Zij biedt haar gesprekspartner liever iets om aan vast te klampen. ‘Zo van: hee, was jij niet laatst op Sardinië?’

Maar ze weet ook: veel mensen vallen er toch op terug. Dus moet je een treffen voorbereiden. Zeker als je niet zo lekker in je vel zit. Wil je het gesprek aangaan, dan kan dat, maar als je geen zin hebt om met willekeurige mensen over je miskraam, scheiding of dode moeder te praten, zorg dan dat je een kort scriptje paraat hebt.

Daarvoor kun je het ‘hamburger-principe’ hanteren, zegt Luyben (komt uit ‘de praatkunde’, zoals zij communicatiewetenschap liever noemt). Broodje onder, broodje boven, hamburger ertussen. Dat gaat bijvoorbeeld zo: wat lief dat je het vraagt, ik ga er even niet op in, maar ik vind het lief dat je ernaar vraagt.’

Wie wil informeren hoe het iemand die in de kreukels zit vergaat, ontraadt ze ‘hoe gaat het’ ook. ‘Die vraag kan mensen zelfs boos maken. Zo van: dat wil je helemaal niet weten!’ De vraag ‘Hoe is je dag?’, vindt Luyben al subtieler en getuigen van meer genegenheid.

Beatrijs Ritsema voelt weinig voor dergelijke zinnen. Te gekunsteld. Maar dat kan een kwestie van smaak zijn. Als mensen zich maar niet bedienen van: ‘hoe gáát het nu met je? ‘Het is aan degene met het verhaal of hij of zij er met jou over wil spreken. Het is aftasten en peilen, maar biedt de antwoordende partij altijd de ruimte tot ontwijken.’

null Beeld Claudie de Cleen
Beeld Claudie de Cleen

Kwetsbaar opstellen

Kies je luisterende oor met zorg, daar zijn alle deskundigen het in ieder geval over eens. Gebruik kennissen niet als klankbord, adviseert Ritsema in haar rubriek een chronisch en progressief zieke vrouw (52) die zich ergert aan de terloopse vraag hoe het gaat. ‘Ze zijn niet geïnteresseerd genoeg in u. Niet in uw wel en nog minder in uw wee.’

Aan de telefoon vult ze aan: ‘Kennissen zitten niet te wachten op medische bulletins. Pijn en ziekte zijn geen aangename onderwerpen om te bespreken, zeker wanneer er geen hoop op vooruitgang in zit. Iedereen voelt zich daar ongemakkelijk bij, zowel degenen die lijden als degenen die meeleven.’

Wie vol is van verdriet, pijn of verlies, raadt ze dan ook af om naar borrels of partijen te gaan alwaar ‘oppervlakkige gezelligheid en koetjes en kalfjes de toon zetten’ en passanten met een beetje pech met goedbedoelde onzin-adviezen op de proppen komen. ‘Verschrikkelijk.’

Het lijkt misschien een grote sprong van de laconieke Ritsema die zich bedient van onderkoelde spot naar kwetsbaarheidsgoeroe en bestsellerauteur Brené Brown, de hoogleraar uit Texas die (‘oh my god, you’re my soulmate’) geregeld aanschuift bij Oprah. Maar in de kern verschilt hun visie op menselijke interactie en sociale omgang niet bijster veel.

Ook Brown zegt: kies zorgvuldig met wie je je angsten en twijfels deelt. Niet vanwege conventies of regels, maar omdat het – zoals de vrouw van het eerlijkheidsexperiment ervoer – buitengewoon onaangenaam is je ziel en zaligheid te delen met ‘iemand die het niet verdient’.

Brown brak in 2010 mondiaal door met een TED Talk over de ‘kracht van kwetsbaarheid’ (het praatje is met 53 miljoen views een van de best bekeken ooit). Haar boodschap in een notendop: mensen die zich kwetsbaar durven opstellen, die de moed hebben hun twijfels en angsten met anderen te delen, hebben meer hechte en betekenisvolle vriendschappen en relaties en halen meer voldoening uit het leven. Dus weg met schaamte, perfectionisme en de rol van een gepolijste zelf. Want werkelijk verbinding maken met anderen is de kern van ons bestaan.

Houd onverschilligen op afstand, is wat Ritsema en Brown eigenlijk zeggen. Niet omdat de wereld uit louter harteloze pummels bestaat, maar omdat we slechts ruimte hebben voor een paar diepe vriendschappen en zelf ook niet bestand zijn tegen lukraak uitgestorte hopen van leed.

Dat is wat angst, pijn of verdriet behoeven: stilte, een echt oor, en geen schrale woorden van troost: stilte, een echt oor, en geen schrale woorden van troost.

Mij helpt te bedenken dat een gespreksblauwtje lopen tot de overkomelijke zaken des levens behoort. De mens is kwetsbaar, en in interessante ontmoetingen staat dus iets op het spel. Van tijd tot tijd zal ik een sprong in het diepe wagen. Want wie nooit toelaat een onverwachte gesprekspartner te treffen, leidt een al te angstig en pover bestaan.

Wel loont het de moeite eens wat anders te proberen als je iemand treft in het wild. Laat ‘hoe gaat het’ achterwege en vermijd dat leegst denkbare ritueel. Geen zin in, ook prima. In dat geval parkeer ik mijn fiets een stuk vrediger op een eenvoudig ‘hallo’.

Meer over