Spreekbeurt

Hoe de panamahoed de wereld veroverde – nee, niet vanuit Panama

Het is zomer, de zwoegende mens kan eindelijk op vakantie en het werkkloffie mag uit. Maar: wat dragen we dan? En waar komt het vandaan? In zes delen buigen we ons over de geschiedenis van de grootste zomerklassiekers. Deze week: de panamahoed.

Mick Jagger (Rolling Stones) met zijn panamahoed in oktober 1973.  Beeld Getty Images
Mick Jagger (Rolling Stones) met zijn panamahoed in oktober 1973.Beeld Getty Images

Om maar meteen met de grootste misvatting te beginnen: de panamahoed komt, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Haagse hopje, niet uit de plaats waarnaar hij is vernoemd. Is de hoed dan wel in Panama gedragen? Welzeker. Begon daar zijn internationale opmars richting allerlei hoofden in alle windstreken? Dat ook. Maar geboren, nee, dat werd de panamahoed niet in Panama.

De wieg van de panamahoed stond een heel stuk zuidelijker, in Ecuador, en die wieg stond daar al ver voordat in 1904 de republiek Panama werd uitgeroepen. Het zou zo rond het jaar 1630 zijn geweest dat de eerste hoedjes werden geweven in de Ecuadoriaanse kustprovincies Guayas en Manabi. In die laatste provincie, en dan met name in het stadje Montecristi, zou de eerste panamahoed-avant-la-lettre het levenslicht gezien hebben. De locals noemden het hoofddeksel montecristi, jipijapa of toquilla.

Prins Charles in Sydney met zijn panamahoed.  Beeld Tim Graham Photo Library via Getty
Prins Charles in Sydney met zijn panamahoed.Beeld Tim Graham Photo Library via Getty

Die namen jipijapa en toquilla klinken niet alleen feestelijk, ze zijn net als montecristi óók zeer adequaat: het zijn de populaire namen voor de carludovica palmata, de palm (of nou ja, een palmachtige, eenzaadlobbige plant, bij Intratuin te koop als panamahoedpalm) die de stengels leveren waar het stro voor de panamahoeden uit gewonnen wordt. Het oogsten van die stengels heeft nogal wat (modderige) voeten in de aarde. Omdat de palm diep in het tropisch regenwoud groeit, moeten er ezels en muildieren aan te pas komen om de balen met de hand gekapte palmstelen naar de bewoonde wereld te vervoeren. Daar worden de stengels gekookt – wat oogt alsof er een reusachtige pan preisoep staat te sudderen – en gedroogd. Daarna worden de uitgedroogde strengen gesplitst en kan het vlechten beginnen: een ingewikkelde klus die vooral door vaardige vrouwenhanden wordt gedaan. Een behendigheid die op waarde wordt geschat: in 2012 is het weven van de toquilla-strohoed op de lijst van immaterieel erfgoed gezet. De snelheid waarmee een hoed vorm krijgt, hangt af van de finesse van het gebruikte stro. Met een wat grovere draad kan de klus in 2 à 3 dagen gepiept zijn, met de allerfijnste strodraad, die zo’n driehonderd ‘carreras’ per vierkante centimeter oplevert, kan het acht maanden duren.

Dat maken van de hoed blijft ook na het vlechten een tijdrovend karwei. Hij moet nog gewassen worden, en geverfd of gebleekt (met zwavel), de bol moet in model gedrukt worden op een blok, hij moet gestreken en afgewerkt, de rand moet in model geperst en er zal nog een zweetband in en een sierband op worden gezet. Maar dan héb je ook wat.

Puik hoedje dus, dat snapten slimme handelsreizigers ook, die de hoofddeksels na de gold rush en de aanleg van spoorlijnen in de loop van de 19de eeuw begonnen te exporteren. Ook de overheid rook handel en opende in 1836 een hoedenfabriek in de stad Cuenca in de zuidelijke provincie Azuay, waar goedkopere hoeden werden gemaakt. In 1850 waren er al 250 duizend toquilla’s geëxporteerd naar Panama en andere belangrijke zeehandelshavens. In 1855 werden er zowaar een aantal strohoeden geëxposeerd tijdens de Wereldtentoonstelling in Parijs, bij wijze van exotische artistieke creatie. Een snuggere Fransman die in Panama woonde had ze naar Parijs gehaald, zonder erbij te vermelden dat de hoedjes uit Ecuador kwamen. Hij schonk een van zijn hoeden aan Napoleon III toen die de tentoonstelling bezocht. In navolging van de keizer, die de hoed graag droeg, ging de rest van de Franse aristocratie ook overstag.

Dirk Bogarde in Death in Venice in 1971.  Beeld Getty Images
Dirk Bogarde in Death in Venice in 1971.Beeld Getty Images

Tegen de tijd dat in 1881 met de aanleg van het Panamakanaal begonnen werd, werd er daar dus al druk in Ecuadoraanse strohoedjes gehandeld. Omdat ze zo licht en luchtig waren en goed beschermden tegen de zon werden ze alras populair onder de arbeiders die de hele dag onder de koperen ploert stonden te sloven. Toen de Amerikaanse president Theodore Roosevelt in 1906 kwam kijken of het opschoot met de werkzaamheden kreeg hij er ook een op zijn hoofd geplant. De foto van Roosevelt en zijn toquilla ging via The New York Times de wereld over en het hoofddeksel kreeg prompt een nieuwe naam: de panama.

Roosevelt bleek, net als Keizer Napoleon, een influencer van formaat. De panamahoed werd een hit, met name onder reislustige, machtige mannen. Edward VII droeg ze graag, ongeveer elke Amerikaanse president is er wel mee gekiekt, in Hollywood liepen Orson Welles, Gary Cooper en Humphrey Bogart ermee weg – gevolgd door Dirk Bogarde in Visconti’s film Death in Venice.

Vandaag de dag zijn er panama’s te koop in alle mogelijke prijsklassen en vormen – de fedora en de optimo zijn het populairst. Wie zuinig is op zijn of haar panama laat de hoed nooit nat worden en bewaart ’m op z’n kop in een doos of diepe la. Wie uit Ecuador komt die verdomt het natuurlijk om het woord panama in de mond te nemen. Die blijft hem gewoon stug sombrero de paja toquilla noemen, zoals-ie geboren is.

Ecualanda  Beeld packshot
EcualandaBeeld packshot

Ecuadoraanse toquillastrooien hoed van Bigalli via Ecualanda, € 75

Artesano Beeld packshot
ArtesanoBeeld packshot

Toquillastrooien hoed met kralen van Artesano, € 240

Stetson Beeld packshot
StetsonBeeld packshot

Ongebleekte Liverton Traveller van Stetson, € 179

Pachacuti  Beeld packshot
PachacutiBeeld packshot

Mirabel Orange panamahoed van Pachacuti, € 165

Panamahoedpalm Beeld packshot
PanamahoedpalmBeeld packshot

Panamahoedpalm van Intratuin, € 175

Meer over