Harlem danst op meer dan rap

‘Waag het niet naar het getto te komen als je er niet vandaan komt’, meent Busta Rhymes. Maar Busta kan rappen wat hij wil, bussen vol toeristen rijden inmiddels af en aan in Harlem....

Gerdy van der Stap

Voor een flophouse (‘goedkoop pension’) ziet Harlem Flophouse er patent uit. De brownstone op de 123ste Straat is piekfijn gerestaureerd. Maar het huis ernaast is nog een bouwval. De trap voor de dichtgemetselde voordeur is bedekt met mos, sigarettenpeuken en lege blikjes. Duidelijk een hangplek, zoals heel Harlem eigenlijk was toen ik er eind jaren tachtig een paar maanden woonde.

Nu wordt er gebouwd, gesloopt, gerenoveerd: de buurt zindert van bedrijvigheid. Toen Rene Calvo zes jaar geleden het vervallen pand kocht dat nu het fraaie Flophouse is, was Harlem nog een ‘jungle’, zegt hij. ‘Ik rénde elke dag van het metrostation hierheen. In de achtertuinen lagen het vuil en puin tot borsthoogte.’

Eigenlijk geneerde hij zich een beetje toen hij net open was, want waar moest je heen in Harlem? ‘Oké, naar het Apollo en soulfood eten bij Sylvia’s, verder was hier niks te doen. Nu zijn er meer dan vierhonderd restaurants.’

Ik kijk mijn ogen uit. Het epicentrum, de 125ste Straat, is één lange rij blinkende etalages. Buurtwinkels hebben plaats gemaakt voor filialen van ketens als Old Navy, Nine West en H & M. Op de stoepen tjokvol winkelpubliek was ooit ruimte te over om de nieuwste rap- of breakdance-move uit te proberen. Want al was er niets te doen; de hiphop bloeide, of misschien juist daarom.

Dat ik – hier en daar – witte Amerikanen zie lopen, is ook een openbaring. Je zou bijna vergeten hoe gescheiden zwart en wit hier leven. ‘If you ain’t from the ghetto, don’t COME to the fuckin ghetto!’ raast Busta Rhymes in zijn recente hit. Maar Busta kan rappen wat hij wil, bussen vol toeristen rijden inmiddels af en aan.

Ook op de huizenmarkt doet Harlem het uitstekend. Mijn oude buurt rond de 150ste Straat blijkt enorm in trek. Rae, mijn voormalige hospita, woont er ‘nog net’, zoals ze zelf zegt. Haar huisbaas kan niet wachten tot ze vertrekt, die kan haar appartement zo voor een miljoen verkopen. Ze schudt haar grijs geworden dreads. ‘Intussen werkt niks meer fatsoenlijk en rot de vloer zo’n beetje weg.’

Dochter Joy – ooit een sprietige puber, nu ‘exotisch danseres’ – woont nog steeds bij haar. We gaan ’s avonds een eindje door de buurt slenteren, net als vroeger. Maar waar zijn op straat de rappers gebleven? Wat we toen deden: luisteren naar de B-boys die zich uitsloofden, en bij de meiden de laatste dansjes afkijken.

Natuurlijk hoor je nog genoeg rap: uit de radio en stereo’s. Harlem knalt uit elkaar van de muziek. In Little Africa, op de 116de Straat, staat bij elk winkeltje een speaker buiten en hoor je om en om High Life, Franse rap en koranteksten; alsof iemand met de zenderafstemmer van de radio speelt. Wat blokken verder schalt de reggaeton, en weet je dat je in Spanish Harlem bent.

Ook in de Citibank op Malcolm X Avenue is er muziek. Daar begint de vrouw vóór me in de rij te dansen, echt voluit te swingen, zodra ze James Brown hoort. Het lijkt niemand echt te bevreemden.

Op Adam C. Powell Avenue beland ik op een pleisterplaats voor jazzfanaten: Big Apple Jazz. Achterin de winkel wordt gejamd. ‘Het gaat spectaculair goed met jazz in Harlem’, verklaart eigenaar Gordon Polatnick. ‘De ene na de andere club opent, of heropent.’ Hij overhandigt een A4’tje met een ontzagwekkende concertagenda.

En dan is er de straathandel: een lint van kraampjes omzoomt het trottoir van de 125ste Straat, voornamelijk vol – illegaal gebrande – cd’s, die nog steeds heel predigitaal ‘mixtapes’ heten: zelf samengestelde verzamel-cd’s (2 voor 5 euro).

Joy troont me mee naar Wernard, beginnend hiphopproducer die meteen van wal steekt. Vroeger rapte je ‘for the love of it’. Rap was origineel en eigenzinnig, nu gaat het alleen om ‘getting paid’. Wernard maakt zich kwaad: ‘Hiphop is een miljardenindustrie geworden en het enige wat je nog hoort, is gangsta rap. Radiostations worden gefinancierd door de platenlabels en draaien de nummers die ze willen verkopen elk uur, elke dag. Aan het eind van de dag ben je vergeten dat je een pesthekel hebt aan 50 Cent met z’n nigga, I run New York.’

Het klinkt een beetje als wraak als Joy en Wernard verklaren: ‘We luisteren nu vooral naar ouwe muziek!’

Nadere inspectie van de mixtapes op de 125ste Straat levert inderdaad veel r & b, soul maar ook old school rap op. Volgens straatverkoper Malik is het zonneklaar: ‘Rap is door talloze fases gegaan, rap is herboren, getransformeerd en geëvalueerd. We rippen, cutten, sampelen. En uiteindelijk zijn we terug waar we begonnen zijn.’

En dan toch, op een straathoek vlakbij het Flophouse staan meiden te dansen en hoor ik ouderwets vrolijke rap. Meegezongen met een autostereo, dat weer wel. Chicken Noodle Soup van Webstar & Young B is dé zomerhit in Harlem: ‘Chicken noodle soup, chicken noodle soup, (with a soda on the side)’. Het dansje erbij is ‘crazy’, zegt een meisje, terwijl ze haar armen als kippenvleugeltjes laat fladderen. Malik had gelijk: in rap wordt alles geript, gecut, gesampeld. Zelfs Rufus Thomas’ Funky Chicken, de zwarte vogeltjesdans.

Meer over