Geluk in Madrid

Een homp bruin brood, een flinke fles water, een knoflokerig stuk chorizo en voor ieder twee bananen: we waren volmaakt gelukkig daar in de hal van station Chamartín in Madrid....

Tegenover ons zat een mevrouw van een jaar of vijfenvijftig, gekleed alsof ze uit een provinciestadje kwam en daar met de dokter of de notaris was getrouwd. Ze had een paar koffers bij zich en een grote tas, waaruit ze eerst een kampeerpannetje haalde en daarna een fles rode wijn. Ze zette de pan en de fles op een tafeltje dat bij het stationsmeubilair hoorde, en pakte ook nog servetten en brood. Toen maakte ze het deksel van de pan open, om in haar eentje tortilla te gaan eten.

Aan de bar, twintig meter verderop, zag ik de ruggen van drie vrouwen waaraan alles zo zacht leek dat ik ze het liefst zou willen aaien. Hun gepermanente haren liepen over in bruine bontjassen, die als vachten over hun kruk naar beneden hingen.

Rechts van ons zat een boerenechtpaar te wachten, de man had geruite pantoffels aan. Alsof zijn leven van de berichten afhing, duwde hij al zeker een uur een radiootje tegen zijn oor. Zijn buurman speelde patience, een ander lag te slapen. Verderop kwamen twee gearmde travestieten voorbij.

De tortilla etende mevrouw kreeg nu gezelschap van haar man, bij nader inzien eerder een gepensioneerde kantoorklerk dan een dokter of notaris. Hij veranderde zijn zakmes in een kurkentrekker en ze dronken wijn uit plastic bekertjes. Vooral meneer dronk. Hij droeg zijn kunstgebit niet, en leek daardoor haast de vader van mevrouw. Hun dessert bestond uit een sinaasappel en een kiwi, en daarna natuurlijk een lekker stuk kaas. Meneer mummelde meer dan dat hij at.

Er werd nu populaire flamencomuziek gedraaid in de hal van het station. De slapende man schrok wakker en dronk water zonder de hals van zijn fles met de mond aan te raken. Meneer de kantoorklerk rookte ter afsluiting van zijn maaltijd een dikke sigaar.

Schuin tegenover ons streek iets neer waarnaar ik nauwelijks durfde te kijken. Het was een soort vrouw, een wijf, een kenau, een gebergte, een continent. Toen ik mijn reisgezel op haar wees, barstte hij uit in een bulderende lach die hij niet eens probeerde te verbergen. 'Dat is zo'n blok beton, die trekt zich nooit ergens iets van aan.'

De kleding van het blok beton was zwart, en bestond uit een kuitlange rok en een wollen winterjas. Het blok zelf woog minimaal driehonderd pond en had de in een maillot gestoken benen wijduit neergezet. Een van haar voeten bewoog rusteloos. Onder een zwart hoedje was nog net een klein deel van een heersersgezicht te zien. De strakke mond hing misprijzend naar beneden, op haar neus stond een zwarte bril van zeker dertig jaar oud die met plakband was gerepareerd.

Ze had ook een man, een iel gevalletje dat zich meteen uit de voeten maakte. Een poos later liet hij een kruier een gigantische hoeveelheid tassen aanvoeren, en stond vervolgens met de man te discussiëren over de prijs van de geleverde dienst. Zijn echtgenote rees op, beende dreigend naar de twee toe en regelde de zaak binnen een paar seconden.

Het stompje sigaar van de gepensioneerde klerk verdween in een stationsasbak, de kampeerpan werd weer in de tas gepakt. De boer op pantoffels zat met een probleem, de batterijen van zijn radio begonnen leeg te raken. Degene die had liggen slapen, had nu een puzzelboekje op schoot.

Alle mensen die we zaten te bekijken, bekeken op hun beurt ons.

Meer over