Een tragedie op de Mount Everest

Een reddingsoperatie mag nooit meer slachtoffers kosten dan bedoeld was met de redding te voorkomen...

IN de Volkskrant van zaterdag 20 september werd onder de kop 'Simpson contra Naar' in een boekbespreking in Traject ingegaan op een incident dat zich afspeelde tijdens een door mij in 1992 geleide expeditie naar de top van de Mount Everest.

De Britse bergbeklimmer/schrijver Joe Simpson beschuldigt mij in zijn boek Dark Shadows Falling ervan, dat mijn expeditie een stervende Indiase klimmer geen hulp heeft geboden. Graag zou ik deze beschreven gebeurtenis in de juiste proporties willen plaatsen.

In het voorjaar van 1992 had de Nepalese regering liefst twaalf expedities toestemming gegeven om de Mount Everest te beklimmen. Op het allerlaatste moment kreeg een Indiase burgerexpeditie uit Bombay als dertiende een vergunning. Deze ploeg bestond uit zeer onervaren lieden, die in Nepal nog een deel van hun uitrusting in tweedehands winkeltjes moest aanschaffen. Alle in het basiskamp aanwezige expeditieleiders hebben zich beklaagd dat zo'n onervaren team toestemming kreeg om de berg te beklimmen.

In de nacht van 1 op 2 mei 1992 werden wij - een goed geëquipeerd team van vier Nederlanders en twee Sherpa's - op bijna 8.000 meter hoogte tot ons ongenoegen geconfronteerd met deze Indiase expeditie. Het weer was op dat moment zo slecht dat wij hadden besloten onze poging de top te bereiken te staken.

Midden in de nacht meldde een lid van het Indiase team ons dat zij een slachtoffer hadden. Wij boden meteen hulp aan, maar die werd door hen afgeslagen. Het was niet meer nodig, zei men na onderling overleg, want hun expeditielid was toch al dood. Onder de Indiërs was een arts, zodat er geen reden was aan hun waarneming te twijfelen.

Ruim vijf uur later, toen de stuifsneeuw iets optrok, ontdekte één van onze Sherpa's, toen hij in de luwte van de tent ging plassen, dat er op ongeveer dertig meter van ons verwijderd een lijk lag dat met zijn rechterarm een op en neer gaande beweging maakte - 'There is a death body waving', zei hij.

Het lijk zwaaide niet, één arm bewoog lichtjes op en neer met een amplitude van maximaal een paar centimeter. Het lijk had ook geen enkele aanleiding om naar ons te zwaaien, of om hulp te vragen, want het gezicht was van ons af gericht en daardoor niet in staat ons of onze tenten te zien.

Volgens de waarneming van zowel de Sherpa, die er naartoe was gegaan - ik herhaal dat nog maar eens - als die van mij, betrof het een dode.

Tijdens walkie-talkiecontact met onze expeditie-artsen in het basiskamp bracht één van hen ons aan het twijfelen, door te zeggen dat als het lijk echt bewoog - het vermoedelijk om een levende ging.

Met de zes man die op dat moment in het kamp waren, heeft zich vervolgens een tamelijk emotioneel overleg afgespeeld dat deels op video is vastgelegd. Er was, naast het bovenstaande, een aantal zaken dat daarbij naar voren kwam. Het feit, dat de Indiër eerder door zijn eigen tochtgenoten 'dood' was verklaard, heeft natuurlijk samen met het zeer slechte weer van dat moment en dito kans op bevriezingen een doorslaggevende rol gespeeld.

Ik heb als leider individuele

teamleden afgeraden om tijdens het, op dat moment, tamelijk heftige weer naar buiten te gaan om met het lijk te gaan slepen, maar ik had natuurlijk nooit iemand kunnen tegenhouden als zijn geweten of een andere interpretatie van de omstandigheden hem ertoe had gedwongen toch te gaan. Ik had ook geen enkele sanctie daartoe. Sterker: ik heb zelfs gezegd dat ik in dat geval met een 'redder' mee zou gaan.

Maar niemand ging, zodat je kunt stellen dat de anderen vrede hadden met de genomen beslissing. Drie van de zes aanwezigen waren zo aangeslagen dat ze besloten om na de discussie bij de eerste de beste gelegenheid naar een lager kamp af te dalen. Die gelegenheid deed zich binnen een uur voor. Zij daalden snel af, passeerden het lijk - zonder overigens iets te ondernemen - en constateerden in het voorbijgaan dat er een dode lag.

De zaak is destijds achteraf uitvoerig besproken, binnen ons team en met de overlevende Indiërs. Van de kant van de Indiës heeft ons - toen en nu niet - ooit enig verwijt bereikt. De tochtgenoten van de Indiërs hebben in hun officiële verslagen, gepubliceerd in internationale vakbladen, altijd volgehouden dat zij een dode hebben achtergelaten.

Ik kreeg deze verslagen helaas pas onder ogen toen mijn boek 'Alléén de top telt!' al was verschenen, anders had ik dit verwerkt waardoor toch een iets genuanceerder beeld van de situatie was ontstaan.

Iemand die nooit zelf op deze extreme hoogten heeft geklommen, zoals Joe Simpson, zelf vooral bekend geworden als de beroemdste klimmer-brokkenpiloot van Engeland, kan moeilijk over deze omstandigheden oordelen. Een redding mag nu eenmaal - dat is een stelregel van mijzelf, maar ook die van véél professionele redders - nooit meer slachtoffers kosten dan bedoeld was met de redding te voorkomen.

Simpson vergelijkt onze situatie met die welke in het omstreden boek van Jon Krakauer over de Everesttragedie van 1996 staat beschreven. Ik betwijfel of je beide situaties kunt vergelijken, maar als je dat dan toch doet, betrek dan ook het lot van beroepsberggids Rob Hall daarbij.

Hall besloot in 1996 bij een in moeilijkheden geraakte cliënt te blijven. Rob kwam tot zijn daad, omdat hij geloofde zijn cliënt in veiligheid te kunnen brengen.

Deze barmhartigheid in de Zone des Doods van de Mount Everest heeft Hall niet kunnen navertellen. Hij liet thuis een zwangere vrouw alleen achter. Juist dát had ik als klimmer niet op mijn geweten willen hebben. Na vijf jaar hoef ik er nog steeds niet lang over na te denken wat destijds de beste keuze was. Rob Hall's lot heeft me in dat standpunt slechts gesterkt.

Ronald Naar is bergbeklimmer en schrijver.

Meer over