De potloodventer van Nam-Tso

Tashi Do is een huis en een kloostertje aan het grote zoutwatermeer Nam-Tso. Leegte, hoogte en vuilte regeren er. De enige monnik kijkt prachtig scheel, net als iedereen in Tashi Do....

Iedereen kijkt scheel in Tashi Do. Of het een gevolg is van de weerspiegeling van de witte bergen in het intens blauwe bergmeer, de grote ijle hoogte (4718 meter) of het gebrek aan vers bloed in dit intieme gemeenschapje, wie zal het zeggen. De bewoners kijken in bewonderingswaardige variëteit alle kanten op.

Het is karig communiceren met deze eenzame Tibetanen. Ze zitten de hele dag rond een kacheltje geklemd, drinken sloten yakboterthee en verbergen zich onder dikke lage kleren. Wanneer ik voor de zesde keer om gekookt water kom zeuren, zie ik dat de ketel die de laatste keer demonstratief op het vuur is gezet, inmiddels is geledigd in de yaktheepot. Het is moeilijk je geduld te bewaren op vijf kilometer hoogte.

Tashi Do, een huis en een kloostertje aan het grote zoutwatermeer Nam-Tso, kan mij niet bekoren. Het begon al toen we na tien uur gebonk in een oude Landrover, uitstapten. Ik moest rennen om op beleefde afstand te braken. Ik wist nog net een stapeltje gebedsstenen te vermijden. Het moet de hoogte zijn, 4700 meter plus onderweg een pas van 5100 meter. Onvoldoende zuurstof in mijn hersenen. Of anders was het de benzinelucht die onze wagen doordrenkte als we weer een meter stegen. Niet Tashi Do's schuld kortom.

Terwijl mijn vier reisgenoten enthousiast foto's maken van het prachtig landschap, lig ik in een ijskoud kloostercelletje uit het vieze raampje te kijken. Naast het klapperende stuk karton dat de ergste wind moet tegenhouden, zie ik de besneeuwde pieken van het Nyenchen Tanglha-massief zich glashelder in het zoutwatermeer spiegelen. Een wolkenbank vormt een dromerig eilandje in het klare zonnelicht. Op het blauw van het meer drijven vier witte vogels.

'Pure schoonheid', verzucht ik, terwijl ik een slokje thee neem. Het zoute meerwater doet mijn misselijkheid weer gelden. Ik worstel me uit mijn slaapzak en ren naar de wc. Dat is een klein veldje achter ons kloostermotel waar het roze wc-papier wappert in de wind. Het veldje is een verschrikking. De enige hoop is de lange koude winter waarin Tashi Do weer praktisch onbewoond is.

Ik trek somber de koordjes van mijn slaapzak rond mijn gezicht vast. Voor mij geen grandioze zonsondergang met dieprode bergtoppen en een paars bergmeer. 'Morgen komt het allemaal goed.'

In dikke kleren loop ik in de vroege ochtend naar het witte zandstrandje. Even verderop vult onze gastheer een tank met zout meerwater. Het water klotst over zijn geborduurde laarzen. Ik zwaai, maar hij kijkt de verkeerde kant op. Wat in zijn geval gemakkelijk kan gebeuren.

Tashi Do ligt op een kleine landtong in het meer. Er bevinden zich twee kleine heuvels. De kleine kora (gebedstocht) voert om één rots, de grote kora neemt de hele landtong voor haar rekening. In de heuvels zijn tempeltjes en kluizenaarsverblijven uitgehakt. Op nette boeddhistische wijze, met de wijzers van de klok mee, loop ik de kleine kora, nog wat zwakjes.

Een rommelige hoop stenen blijkt van origine een mani-muur (gestapelde gebedsstenen waar je met de wijzers van klok omheen loopt). De duizenden met mantra's (om mani padme hum) bedekte stenen zijn op liefdeloze wijze door elkaar gesmeten. Ik probeer me voor te stellen welke obsessieve monnik de stenen zo uiterst netjes heeft gekalligrafeerd. Of woonden hier ooit honderden monnikken, een bloeiende creatieve gemeenschap?

Nu rest nog slechts één monnik. Ook hij kijkt prachtig scheel. Half in heilig rood, half in leren lompen, zie ik hem om de haverklap opduiken. Hij laat een mooi gehoornd schaap uit aan een touwtje. Het beest heeft rode strikken in zijn lange witte haren. Er wordt van hem gehouden in deze eenzaamheid.

Het zoute bergmeer ligt roerloos aan mijn voeten. Het meer strekt zich zeventig kilometer in de lengte uit en dertig in de breedte. Toch kan ik alle oevers zien, dankzij de omringende zevenduizenders die zelfs deze grote waterplas bescheiden proporties geven. Ik klauter over de rotsen langs het meer. Geen wier, geen dode meeuw, geen schelp. Dit meer lijkt helemaal leeg te zijn. Alleen maar een grote kuil vol zout water.

Kraaien krassen en maken dat ik omkijk. Een snelle schaduw schiet achter een rots. Ik hoor wat steentjes wegrollen. De monnik met het schaap? Een van de scheelogigen? In de rotswand is een grot uitgehouwen. Er wapperen rode, gele en groene gebedsvlaggetjes in de wind, maar het ziet er niet vrolijk uit. De kraaien blijven verstoord cirkelen. Daar zit iemand. Een onredelijke angst bevangt me. Happend naar adem in de ijle lucht vlucht ik terug naar de kora.

Mensen. Op een rotspunt staat een groepje Japanners foto's te nemen van het meer. In hun dure donsjacks, met hun merkzonnebrillen en hun grote camera's zien ze er professioneel uit. Wanneer een film vol is, grijpen ze zonder te kijken een nieuw pak uit hun zak. Ze trekken de verpakking met hun tanden open en gooien de felgele folie achteloos van de rots. Ze hebben twee Tibetanen mee in klederdracht. Met hun kleurige wollen kleren aan, poseren die voor elke horizon. Dan worden ze weer ingeladen, op naar de volgende pittoreske locatie.

We koken op onze gasbrander in ons celletje. Gevriesdroogde boeuf bourguignon en noedels. Ik eet de felgekleurde gummibeertjes die een van ons met vooruitziende blik heeft meegesleept. Ik krijg verder geen hap door mijn keel. Onze chauffeur repareert zijn benzineleiding. Wanneer hij de moter start, blijkt de uitlaat precies op onze maaltijd gericht.

We verlaten na twee nachten het meer Nam-Tso. Uitgeput van de leegte, de hoogte en de vuilte. In Lhasa lees ik een waarschuwing op het prikbord van mijn hotel. Vrouwen worden gewaarschuwd voor Tashi Do. Daar loopt een man rond die zijn geslacht onbloot voor eenzame wandelaars. Hij doet verder niets.

Meer over