Onze gids dit weekeinde

De meeste gedichten van Piet Gerbrandy komen tot stand in de trein: een rijdend niemandsland

De mooiste plek op aarde? Dat moet toch wel zijn studeerkamer zijn. Dichter Piet Gerbrandy zou daar best als een monnik permanent kunnen vertoeven. Maar vooruit, er zijn meer dingen waaraan hij plezier beleeft.

Julien Althuisius
Piet Gerbrandy Beeld Daniel Cohen
Piet GerbrandyBeeld Daniel Cohen

Het loeit en het beukt. De zware voorjaarsstorm stelt de hoge, uit houten balken opgetrokken nok van zijn werkkamer op de proef. Maar Piet Gerbrandy – classicus, dichter, vertaler, docent, auteur, criticus en formidabel snordrager – zit er onbewogen bij. Het is ook niet de eerste zware storm die hij hier meemaakt. Hij kent het piepen en het kraken, het zuchten en het kreunen van dit statige gebouw – eens een ziekenhuis, nu het huis van de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. Al zestien jaar pendelt Gerbrandy (63) heen en weer tussen zijn woonplaats Winterswijk in de Achterhoek en het Amsterdamse Turfdraagsterpad, waar hij omringd door Plato, Aristoteles, Quintilianus, Seneca en al die andere grote denkers uit de klassieke oudheid zijn colleges Klassiek en Middeleeuws Latijn voorbereidt. Of aan vertalingen werkt. Of essays schrijft. Geen poëzie, dat doet hij elders. Maar daarover later meer.

Voor zijn gedichten, die talrijk zijn en verschenen in meer dan vijftien bundels, ontving Gerbrandy onder andere de Frans Kellendonk-prijs, de Herman Gorter-prijs en de Jan Campert-prijs. Vorig jaar ontving hij voor zijn essaybundel Grondwater de J. Greshoff-prijs. De jury schreef dat Gerbrandy laat zien ‘wat poëzie lezen kan zijn en zou moeten zijn’, hij is steeds ‘op zoek naar de verbanden tussen gedicht en maker, of, met andere woorden, naar existentiële aspecten van poëzie’. Als dat geen aanbeveling is, weten wij het ook niet meer.

Maar wat beveelt Gerbrandy zelf ons eigenlijk aan? Voor hem op tafel ligt een lijst met tien punten gerangschikt naar thema. Aantekeningen erbij. Een minutieuze voorbereiding. Het college kan beginnen.

Plek: de studeerkamer

‘Niet deze, maar die in mijn huis in Winterswijk. Mijn studeerkamer is een plek waar je verschanst zit, met de wereld op afstand. Aan vier wanden heb ik boeken, ook onder het raam. Het is een plek van stilte, er komt ook verder niemand. Ik vind niets heerlijker dan daar dagen door te brengen, de hele dag lezen en schrijven. Omdat ik in de Achterhoek woon en niet echt een goede bibliotheek in de buurt had, heb ik veel vakliteratuur gekocht, om het maar in huis te hebben. Dus alle belangrijke teksten van de Grieken en Romeinen staan daar. Mijn studeerkamer is meer dan een plek. Het vertegenwoordigt een oase in de grote wereld. Het heeft ook iets monastieks. De vroegere Benedictijner monniken hadden de eis van stabilitas loci: je zat in je klooster en daar kwam je niet uit. Dat spreekt mij zeer aan.’

Bestemming: Noordwest-Ierland

‘Ik ben iemand die niet uit zichzelf op reis gaat. Als het niet hoeft, dan ga ik niet. Maar als ik eenmaal ga en ik ben over de eerste verwarring heen, vind ik het heus wel leuk. Dan zoek ik wel het liefst plekken op die een beetje perifeer zijn. De allermooiste plekken, buiten mijn studeerkamer, zijn het westen of het noordwesten van Ierland. Dat landschap past bij mij. Je zit daar aan de rand van het continent, aan de Atlantische Oceaan. Het heeft bovendien ook een heerlijk klimaat. Het is nooit te warm. Zo nu en dan komt er een regenbui, maar die is ook zo weer over. Het waait lekker hard. En het is een heel toegankelijk landschap: je hebt wel bergen, maar die zijn niet zo ontzettend hoog. En grote stukken zijn leeg. Daar kun je eindeloos lopen zonder iemand tegen te komen.’

null Beeld Getty Images/iStockphoto
Beeld Getty Images/iStockphoto

Vervoermiddel: de trein

‘Ik heb om wat voor reden dan ook zelden gewoond op de plek waar ik werkte. De afgelopen zestien jaar moet ik iedere week de tocht van Winterswijk naar Amsterdam ondernemen en weer terug. Dan zit je 2,5 uur in de trein. Het is een soort liminale plek, ongedefinieerd: het is niet hier, het is niet daar. Het is een niemandsland, waardoor je als het ware je eigen virtuele huiskamer schept in zo’n coupé. Het is daarom voor mij de ideale plek om te lezen en te schrijven. Niet zozeer wetenschappelijke dingen of essays, want dat doe ik thuis. Maar ik kan wel zeggen dat de afgelopen vijftien jaar een heel groot deel van mijn gedichten tot stand gekomen is in de trein. Een treinreis is een goed moment om rustig aan een gedicht te werken. Juist omdat het een onduidelijke plek is; je hoeft verder niets. Als ik thuis in mijn studeerkamer zit moet ik meteen weer een boek lezen of aan een vertaling werken. Poëzie is een genre dat te maken heeft met een vaag spel van associaties en dromerigheid en contemplativiteit. De trein faciliteert dat: het landschap dat langs je heen trekt, de cadans, het geroezemoes. Het is een soort tussenplek, waar je in jezelf kunt afdalen.’

null Beeld Getty Images/iStockphoto
Beeld Getty Images/iStockphoto

Filosoof: Boëthius

Een paar jaar geleden heb ik het boek Troost in Filosofie van Boëthius vertaald. Hij was een belangrijke bestuurder, senator en filosoof die in het jaar 523 in de gevangenis terechtkwam. Kennelijk was hij in ongenade gevallen bij koning Theoderik, de Ostrogotische koning van Noord-Italië. Het was de bedoeling hem te executeren, en dat is uiteindelijk ook gebeurd. Er heeft alleen een jaar of twee tussen gezeten. In die tijd heeft hij, om zichzelf te troosten, een boek geschreven, een hoogtepunt in de Europese literatuur. Het is een filosofische dialoog, zoals Plato en Cicero ze ook geschreven hebben, doorspekt met gedichten. Elk hoofdstuk begint met een gedicht en dan krijg je een gesprek. Dat gesprek is tussen een gevangene – overduidelijk Boëthius zelf – en degene die hem in zijn cel bezoekt, vrouwe Filosofie.

Zij ontdekt dat hij er slecht aan toe is, dat hij treurt en zichzelf kwijt is. Ze begint een soort gesprekstherapie en dat strekt zich uit over vijf boeken met 39 gedichten. Daarin heeft Boëthius geprobeerd alle filosofische tradities van zijn tijd in te passen, maar ook alle literaire genres die hij beheerst. Er zit dialoog in, troostliteratuur, redevoering, satire, poëzie. De indruk die je overhoudt aan dat geheel is dat de gevangene niet getroost wordt. Dus het mislukt. Maar het interessante is natuurlijk dat Boëthius als schrijver toch doorgegaan is met het schrijven van dit boek. Ik stel mij zo voor dat de ware troost van dit boek zat in het schrijven ervan. In het maken van iets moois.’

Boëthius Beeld
Boëthius

Muzikant: John Coltrane

‘Diezelfde Boëthius onderscheidde drie soorten muziek. De musica mundana, de harmonie van de kosmos. De musica humana, dat is de harmonie die heerst in ons als mens. En ten slotte heb je ook nog de musica instrumentalis, muziek die je kunt horen. Het idee is dat we door middel van muziek in contact kunnen komen met een hogere vorm van kosmische harmonie – of we maken dat onszelf wijs, dat vind ik allemaal best. Maar ik ervaar het wel zo. En als iemand dat sterk ervaren heeft en dat weer heeft weten over te brengen, is het John Coltrane. Hij schiep een eigen wereld in muziek, met als een van de hoogtepunten A Love Supreme. Het is alsof hij met zijn noten alle hoeken van het universum wil exploreren. Hij is ook door en door authentiek. Daar heb ik een grote bewondering voor. Ik vind het verschrikkelijk jammer dat ik hem nooit heb kunnen zien spelen. Maar iedere noot die ooit van hem is opgenomen, heb ik in huis.’

John Coltrane Beeld Bettmann Archive
John ColtraneBeeld Bettmann Archive

Bezigheid: zwemmen

‘Een van de heerlijkste bezigheden. De afgelopen dertig jaar ben ik een echte zwemmer geworden. Het liefst zwem ik in open water. We hebben in Winterswijk vlak buiten het dorp een recreatieplas, waar het alleen druk is als het boven de 30 graden is. Alle dagen dat ik niet naar Amsterdam hoef, ga ik daar zwemmen, althans tussen eind april en oktober. Ik haat sport, maar ik vind niets heerlijkers dan anderhalve kilometer borstcrawl in open water. Je komt in een bepaald ritme van adem en beweging en het heeft daardoor iets meditatiefs. Mijn lichaam, mijn ziel en de wereld vallen op die momenten volkomen met elkaar samen. Het is een soort eenheidservaring. Zo nu en dan springt er een karper op, of vliegen er ijsvogeltjes over. En in het voorjaar zitten er in de bosjes langs de kant een koekoek en een wielewaal. Als je je op je rug draait zie je de wolken. En dan ben ik volmaakt gelukkig.’

Personen: kleinzoons

‘Ik heb drie kleinzoons, in leeftijd variërend van 1 tot 8. Ik ben verzot op kleuters. Je kunt al een fatsoenlijk gesprek met ze voeren, maar het zijn ook wezens die in hun conversatie en hun spel nog volkomen associatief te werk gaan. Dus ze schakelen per minuut van de ene verbeeldingswereld naar de andere. Als hun opa ga ik daar helemaal in mee. Dus ik kruip over de grond, doe spelletjes, speel met ze, ga met ze naar het zwembad en ben aan het eind van de dag net zo moe als zij. Ik heb geen gelegenheid om na te denken over werk of zorgen of wat dan ook. Als ik met een van die jongetjes meega naar het zwembad, geniet ik volop om van zo’n hoge glijbaan af te gaan. Want dat had ik natuurlijk dertig jaar niet meer gedaan. Oh, wat ben ik dan blij. Het mooiste compliment dat ik ooit heb gehad, kwam van mijn kleinzoon van 4. Die zei: ‘Opa, als ik later ook opa ben, kom ik bij jou wonen.’’

null Beeld Getty Images
Beeld Getty Images

Activiteit: een bouillon trekken

‘Kennelijk is het een patroon in mijn geletterde bestaan om te zoeken naar momenten waarop ik niet hoef na te denken en gewoon kan zijn. Een van de beste methodes voor mij is om te koken. Mijn allerdierbaarste aspect van de keuken is het trekken van een bouillon. Het is iets dat juist zo fijn is omdat het zo lang duurt. Als ik een runderbouillon trek, is dat een proces van drie dagen. De eerste dag trek je de botten gedurende een uur of twaalf. De volgende dag gaan er schenkels in. En in een later stadium groente en kruiden. En vervolgens moet je het zeven en afkoelen en het vet eraf halen. Het is iets heel fysieks en de aantrekkingskracht ervan heeft ook te maken met geuren van vroeger. Mijn moeder deed het altijd en mijn oma ook. Het is in de eerste plaats heel lekker, maar het is ook een soort eerbied die je betoont aan de natuur. Er is een koe voor jou gestorven, dus dan wil je dankbaar gebruikmaken van ieder bot met merg en daar alle aandacht aan besteden.’

null Beeld Getty Images
Beeld Getty Images

Filmgenre: de western

‘Ik ben geen groot filmkenner, maar er is een filmgenre dat mij zeer dierbaar is: de western. Omdat het een mythisch genre is. Western is de Ilias en de Odyssee van de 20ste eeuw. Het zijn mythische verhalen, archetypische verhalen met eenzame helden in een leeg landschap en altijd met het aspect van een tragedie erin. Stage Coach, High Noon, Once Upon a Time in the West, The Good, the Bad and the Ugly en recentelijk The Power of the Dog en The Harder They Fall zijn ieder op hun eigen manier prachtige films.

En natuurlijk Brimstone, van Martin Koolhoven. Het is eigenlijk een Oresteia, uit het verhaal van Orestes, die wraak gaat nemen binnen zijn eigen familie. Een omgekeerd Oedipus-verhaal ook: een vader die met zijn dochter naar bed gaat. En er zit ook een Ovidius-verhaal in van een heldin van wie de tong wordt afgesneden, omdat datgene wat ze moet vertellen te erg is. Brimstone verwijst niet rechtstreeks naar die klassieken, maar het is wel een door en door klassiek verhaal, huiveringwekkend verteld. Echt een schitterende film.’

Schrijver: Samuel Beckett

‘Wat mij betreft de grootste schrijver van de 20ste eeuw. Hij heeft een beroemde trilogie romans geschreven in de jaren veertig, maar zijn interessantste periode vind ik zijn laatste twintig jaar. Toen is hij totaal uitgebeende teksten gaan schrijven waarin eigenlijk niets gebeurt. Het enige wat de tekst op gang houdt is de taal zelf. En daarin proef je een Iers ritme: de ene zin reageert op de vorige, en de volgende daar weer op. Het is een doorlopend proces dat uiteindelijk nergens op uitkomt, maar het zijn de meest indringende teksten die ik ken. Neem het korte verhaal Company. Dat begint met de zin: ‘A voice comes to one in the dark’.

Dan weet je dat er iemand is en dat er een stem klinkt, maar duidelijker wordt de hele situatie niet. Het is uitzichtloos, zinloos, absurd. Maar vreemd genoeg uitgedrukt in een taal die barst van de vitaliteit. En daarom vind ik het buitengewoon aangrijpend. Ik kan ook niet meer dan één verhaal achterelkaar lezen en dan moeten er weer een paar maanden tussen zitten. Zo hard komt het binnen. Een van zijn beroemdste zinnen is het slot van het verhaal The Unnamable. ‘You must go on. I can’t go on. I’ll go on.’ Dat is eigenlijk Beckett ten voeten uit. Het heeft geen zin. We kunnen het niet. Maar we gaan wel door.’

Samuel Beckett Beeld Gamma-Rapho via Getty Images
Samuel BeckettBeeld Gamma-Rapho via Getty Images

CV Piet Gerbrandy

17 september 1958 Geboren in Den Haag.

1976-1984 Studie Klassieke Talen en Vergelijkende Indo-Europese Taalwetenschap in Leiden.

1996 Eerste dichtbundel Weloverwogen en onopgemerkt.

2001 Nederlandse vertaling van Opleiding tot redenaar van Quintilianus.

2006 Docent Klassiek en Middeleeuws Latijn aan de Universiteit van Amsterdam.

2015 Verzamelde gedichten in Voegwoorden.

2016 Opera Who’s afraid of Orfeo?.

2021 Dichtbundel Ontbinding, genomineerd voor de Grote Poëzieprijs 2022.

Meer over